Van: "Haye van den Oever" <hvdoever@concepts.nl>
Aan: "Paul Waayers" <waayers@planet.nl>
Onderwerp: Onderzoek BAL-Lamp (1/2)
Datum: donderdag 15 augustus 2002 5:45

Beste Frans,

Na terugkeer van de kerstvakantie trof ik je brief met afdrukken aan, 
waarvoor dank. Ik heb inmiddels ook de bandopnamen van (een deel van) je 
gesprek met Leo Bal in Lelystad beluisterd, zodat ik een indruk heb 
gekregen welke kwesties daarbij aan bod zijn gekomen. Naar aanleiding van 
je brief en de bandopnamen het volgende.

- De foto op het omslag van Radio Nieuws van april 1918 is weliswaar 
interessant, maar ik denk niet dat dit iets nieuws oplevert. In ieder geval 
is geen van de heren op de foto Leonard Bal. Ik denk ook niet dat de 
omcirkelde opstelling op de hoek van de tafel iets met Bal van doen heeft, 
en wel om een aantal redenen: (a) De stand van Bal (tafel 33) bevond zich 
gezien vanuit het perspectief van de fotograaf ter linkerzijde, maar waarom 
zou Bal een opstelling van zijn eigen tafel zomaar loskoppelen en op de 
tafel van een andere exposant neerzetten? Dat lijkt mij uitermate 
onwaarschijnlijk, ook al omdat de lamp zonder accu voor de gloeispanning 
toch niet kon werken. (b) In de opstelling is geen glijspoel te ontwaren, 
terwijl de (enkellaags) glijspoelen in de opstelling(en) van Bal gezien de 
gebezigde golflengten en het gebruik van lucht als dilectricum toch een 
vrij forse afmeting hadden. (c) de oppervlakte van het plankje op de foto 
is duidelijk veel groter dan de (kleine) plankjes van ca. 22 x 10,5 cm die 
ten tijde van de tentoonstelling door Bal zijn gebruikt voor de montage van 
de lamp.

Een close-up van een dergelijk montageplankje is te zien in het speciale 
tentoonstellingsnummer van Radio Nieuws uitgegeven op zaterdag 16 maart 
1918 (d.w.z. n dag voor aanvang van de tentoonstelling). In dit blad zien 
we nog een tweede foto van een (proef)opstelling van Bal. De beide foto's 
bij het artikel moeten gemaakt zijn bij de heer Bal thuis aan de 
Nassausingel 5 te Breda, in de weken of dagen voorafgaande aan de 
tentoonstelling. Dit laatste leid ik af uit de omstandigheid dat in de 
proefopstelling een vast tegen een muur gemonteerd schakelpaneel is te 
zien, terwijl het houten bureau waarop zich de proefopstelling bevindt door 
mijn moeder (de jongste dochter van Leonard Bal) is herkend als een 
meubelstuk dat nog tientallen jaren later in het bezit was van de familie Bal.

De oorspronkelijke foto van de gemonteerde gloeilampdetector op houten 
plankje zoals die door de drukkerij is gebruikt is bewaard gebleven en 
bevindt zich thans in het dossier Bal in het Omroepmuseum. Dat het hier 
inderdaad gaat om de foto die destijds voor het artikel in Radio Nieuws is 
gebruikt kunnen we opmaken uit de potloodstrepen waarmee op de foto het 
gewenste kader voor afdruk in het blad is afgetekend: het gedeelte van de 
foto binnen de potloodstrepen komt precies overeen met de afdruk in het 
blad. Op deze oorspronkelijke foto is duidelijk het naamplaatje van de 
firma Bal te zien, wat erop duidt dat de serieproductie van dergelijke 
plankjes met mignonfitting en aansluitklemmen (later aangeduid als 
toesteltype B.S.2) al vr de tentoonstelling op gang kan zijn gekomen.

- De rapportage van de proeven die op 3 jan. en 20, 21 en 22 juli 1918 
zouden zijn uitgevoerd bij de lampenfabriek Holland is onbetrouwbaar. Mij 
is hierover althans op deze data niets bekend. Wel is mij bekend dat met de 
in Utrecht vervaardigde lampen proeven werden uitgevoerd door de militaire 
autoriteiten o.l.v. Lnt. P.C. Tolk. Deze proeven vonden echter 
hoofdzakelijk plaats in het PTT laboratorium te Den Haag, dus niet in Utrecht.

Een handgeschreven verslag van de proefnemingen geschreven door Tolk is 
bewaard gebleven. Dit verslag uit 1917/18 was nog in 1963 in het bezit van 
Tolk, maar het bevindt zich thans in de collectie van het Postmuseum. Uit 
het archief van het Postmuseum zijn mij ook een tweetal brieven bekend, 
gedateerd 26 en 27 november 1917 en resp. geschreven door P.C. Tolk en een 
zekere Lnt. der genie Proost. De brieven zijn gericht aan de Afdeling 
Radiotelegrafie van de PTT te Den Haag en verzoeken om beschikbaarstelling 
van faciliteiten tot het doen van proeven met de gekopieerde Duitse lampen. 
Tevens wordt hierbij een financile tegemoetkoming van ten hoogste f 2500,= 
in het vooruitzicht gesteld, terwijl ook nog wordt aangegeven dat de te 
nemen proeven 'beschouwd dienen te worden als te zijn van zeer geheimen 
aard'. Tolk schrijft bij deze gelegenheid:

'Dacht ik oorspronkelijk aan een verzoek om gebruik te mogen maken van n 
der laboratoria der metaallampenfabriek te Utrecht, later kwam mij als nog 
beter geschikt voor het meetvertrek der Rijkstelegrafie. De standplaats den 
Haag en de aanwezigheid van de Centrale Werkplaats en Magazijnen en een 
radioantenne doen een snelle uitvoering en verloop der proeftoestellen en 
proefnemingen vermoeden. Ook van de zijde van den Chef den Heer Ingenieur 
der Telegrafie Dr. Koomans werden mij niets dan de meest bereidwillige 
toestemming en hulp toegezegd, behoudens dan nadere goedkeuring van 
militaire ter eene en burgelijke autoriteiten ter andere zijde.'

Uit dit schrijven van Tolk blijkt dat er in ieder geval wat de militaire 
autoriteiten betreft geen sprake is geweest van uitvoerige proeven bij de 
metaaldraadlampenfabriek 'Holland' te Utrecht. Uit een ander schrijven 
gedateerd 8 dec. 1917 van de directie van de PTT blijkt dan dat het 
onderzoek 'reeds sedert enige dagen is aangevangen'. Een en ander wordt 
bevestigd door het verslag van Tolk, waar we lezen dat, nadat op 23 
november 1917 een eerste kopie van een exemplaar van de Duitse lamp gereed 
was gekomen, nog diezelfde namiddag de eerste proeven werden genomen op het 
Radiocontrle-station te Utrecht. Na deze eerste proef werd duidelijk dat 
betere faciliteiten wenselijk waren voor verdere proefnemingen, en kreeg 
men de beschikking over de Herstellingswerkplaats van de Rijkstelegraaf te 
Den Haag. Tolk spreekt in zijn verslag zijn dank uit aan de chef Dr. N. 
Koomans en chef instrumentmaker Terborg van deze werkplaats voor de vlotte 
en welwillende medewerking. Hierdoor kon, zo schrijft Tolk, al op vrijdag 
30 november een eerste meer uitgebreide proef worden gedaan.

Het staat aldus vast dat vanaf 30 november 1917 met zowel originele als 
gekopieerde Duitse Telefunken lampen (type EVN 94) en andere bij 'Holland' 
vervaardigde lampen proeven werden gedaan in het PTT laboratorium in Den 
Haag, en niet in de fabriek zelf. Tolk geeft overigens aan dat het Duitse 
toestel uit het watervliegtuig en de daarbij behorende lampen terug moesten 
naar de Nederlandse Marine, en dat men in plaats van deze lampen nu de 
beschikking kreeg over 'een Duitsche lamp van enigszins andere constructie 
(uit een onderzeeboot)'.

De proeven gingen hoofdzakelijk over laagfrequent versterking met 
transformatorkoppeling van meerdere lampen in cascade. Verderop in het 
verslag lezen we dat tussen 14 en 22 december 1917 werd getracht meer 
gegevens te krijgen bij de Marine, en dat toen beschikt kon worden over 
'Amerikaansche Moorhead lampen, pas met H.M. Tromp uit Amerika meegebracht' 
en verder 'een de Forest toestel met 2 Audion-lampen in cascade waarvan de 
1e ook als Ultraaudion te schakelen was (...)'.

De gegevens verstrekt door Peter den Boer uit Ravenstein zijn zoals gezegd 
niet betrouwbaar, maar ik denk wel te weten waarop deze gegevens berusten. 
De NSF lampen moeten sowieso van later datum zijn dan wordt gesuggereerd. 
Corver, Radiozenders en Ontvangers, Uitg. Diligentia, Amsterdam, 2de dr. 
1948, blz. 41 zegt namelijk dat de NSF pas na afloop van de oorlog (die 
eindigde in november 1918, HvdO), werd opgericht, en daarmee is de 
opgegeven datering in ieder geval voor de NSF lampen onmogelijk.

Addendum: Corver blijkt zich hier toch te hebben vergist. De NSF bestond al 
eerder, want in de hoofdbestuursvergadering van 11 april 1918 werd de NSF 
al als nieuw lid van de NVVR aangenomen. (Bron: Radio Nieuws mei 1918, blz. 
122).

Ook zou ik er op willen wijzen dat 21 juli 1918 op een zondag viel, en in 
die tijd werden er op zondagen hoogstwaarschijnlijk geen proeven in een 
fabriek uitgevoerd, wat eveneens ernstige twijfels doet opkomen aan de 
juistheid van de genoemde data als zodanig.

Kennelijk zijn hier gegevens uit het verslag van Tolk over de periode eind 
1917 - begin 1918 (waarbij sprake is van 2 enigszins verschillende typen 
Duitse lampen, Moorhead lampen en De Forest audions) verward met gegevens 
van *latere* proeven, die door Tolk eveneens in hetzelfde cahier zijn 
opgetekend. De lijst met lampen genoemd door Peter den Boer vind ik in 
enigszins andere volgorde inderdaad terug in het geschrift van Tolk, doch 
er is helemaal geen sprake van een Bal lamp, maar van een bij "Holland" 
vervaardigde Bol lamp (!) Onnodig te zeggen dat je aan de (foutieve) 
gegevens van Peter den Boer geen enkele conclusie kunt verbinden.

- In het Volkskrant artikel d.d. 8 okt. 1994 wordt beweerd dat de matglazen 
buislamp die Bal demonstreerde op de tentoonstelling het opschrift Bal-Pope 
Venlo zou hebben gehad. Dit kan echter niet juist zijn, omdat Corver 
uitdrukkelijk verklaart dat niemand wist, en ook niemand ooit zeker geweten 
heeft, waar de eerste Bal-lampen (d.w.z. de exemplaren op de 
tentoonsteling) eigenlijk vandaan kwamen, dit in tegenstelling tot de 
*latere* die, zoals Corver ook zelf aangeeft, werden vervaardigd bij Pope 
in Venlo (bron: voorwoord in tentoonstellingscatalogus van een 
tentoonstelling van de afdeling Rotterdam van de NVVR, 17 t/m 19 november 
1922; rubriek 'Uit de oude doos', Radio Bulletin april 1954).

Als de lampen op de tentoonstelling in Den Haag in maart 1918 inderdaad van 
het opschrift 'Pope Venlo' zouden zijn voorzien geweest, dan had Corver 
onmogelijk kunnen beweren dat niemand ten tijde van de tentoonstelling wist 
waar deze lampen waren vervaardigd. Hieruit volgt ook dat de (matglazen) 
lamp die thans nog in het bezit is van de heer Bal uit Lelystad onmogelijk 
'de' lamp kan zijn waarmee zijn vader op de tentoonstelling stond. Deze 
lamp heeft namelijk al het opschrift 'Pope Venlo' op n van beide 
fittingen en behoort daarmee al tot de latere serieproductie. Het 
Omroepmuseum is in het bezit van een soortgelijk matglazen exemplaar, 
eveneens met het opschrift 'BAL - BREDA / Afd. RADIO' op n van beide 
fittingen (foto in artikel van Piet Bakker in 'Aether' van juli 2001, blz. 
17). Of *deze* lamp op de andere fitting ook voorzien is van het opschrift 
'POPE VENLO' wordt uit de foto niet duidelijk, maar uit het bijschrift bij 
de foto maak ik op dat dit inderdaad het geval zou moeten zijn, aangezien 
Piet Bakker aangeeft dat deze lamp bij Pope in Venlo is vervaardigd. 
Niettemin is het mogelijk dat het opschrift 'Pope Venlo' op deze lamp 
inderdaad ontbreekt, zoals het op de tentoonstellingslampen ook moet hebben 
ontbroken.

Als je de foto die is afgedrukt in het tentoonstellingsnummer van Radio 
Nieuws van 16 maart 1918 goed bestudeert (bij voorkeur de originele foto in 
het Omroepmuseum), dan kun je ook zien dat bij deze lamp kennelijk geen 
opschriften op de fittingen zijn aangebracht (of deze zouden zich juist 
geheel aan de achterzijde moeten bevinden), wat dus klopt met de bewering 
van Corver dat de herkomst van de eerste Bal-lampen niet duidelijk was.

Leonard Bal moet al zeer snel (niet later dan eind mei 1918) zijn 
overgegaan op gewoon transparant glas. Dit laatste leid ik af uit een foto 
van een ontvanginrichting van de gebroeders Tappenbeck uit Noordwijk. De 
foto is gedateerd mei 1918 en is afgedrukt in het boek '50 jaar VERON, 100 
jaar radio' van D.W. Rollema, PAoSE. Op de foto is de bekende cylindrische 
lamp met de twee mignonfittingen te zien, en deze lamp heeft helder glas. 
Aangezien de Philips-IDZ lamp op dit tijdstip nog niet in de handel was en 
de Bal-lamp wel, kan dit eigenlijk alleen maar een Bal-lamp zijn. Bekend is 
ook dat de gebroeders Tappenbeck de tentoonstelling hadden bezocht en dat 
zij zeer genteresseerd waren geraakt in de daar gedemonstreerde 
Bal-lampen. De gereproduceerde foto maakt deel uit van een door de 
gebroeders Tappenbeck bijgehouden dagboek, dat thans in het bezit is van de 
VERON. Wellicht dus dat nadere bestudering van dit dagboek nog nauwkeuriger 
gegevens kan opleveren over de datum van aankoop van deze lamp.

- Graag zou ik van je willen weten waar het verhaal 'Philips Gouden 
Radiojaar 1927' van Prof. Dr. Ing. N.A. Halbertsma precies is gepubliceerd, 
en in welk jaar deze tekst is gepubliceerd. De anecdote waarin de namen van 
Scheerman en Kerssemakers opduiken was mij al bekend uit twee andere 
bronnen, namelijk het artikel "De eerste 'sprekende lamp'" in de Philips 
Koerier van 12 mei 1956 en een klein artikeltje getiteld "De eerste 
radiobuis", van de hand van L. Th. Scheerman zelf, in het Philips Technisch 
Tijdschrift van 28 sept. 1966. Dit laatste is opmerkelijk, want Scheerman 
(die in 1912 op 18-jarige leeftijd als laborant bij Philips in dienst was 
gekomen en het bedrijf in 1954 na een ruim 40-jarige diensttijd verliet) 
was ten tijde van het schrijven van dit artikel al in de 70. Het is dus 
alsof Scheerman aan het einde van zijn leven nog even gezegd wilde hebben 
dat hijzelf bij Philips de eerste werkende gloeilampdetector in Nederland 
zou hebben vervaardigd.

Uitgangspunt voor de vervaardiging van de lamp zou een artikel in het 
Franse tijdschrift L'Illustration zijn geweest, dat Scheerman van 
Kerssemakers had gekregen, 'een garagehouder aan de Parallelweg en 
waarschijnlijk Eindhovens eerste radio-amateur', met de vraag of hij niet 
eens zo'n ding kon maken. In L'Illustration van zaterdag 8 september 1917 
staat op blz. 265 een wel zeer schematische tekening. Uit de begeleidende 
tekst blijkt dat de auteur een De Forest audion (zowel het 'single wing' 
als het 'double wing' type) beschrijft, maar het artikel (en het 
vervolgartikel in L'Illustration van 22 september 1917, blz. 306) bevat 
verder weinig relevante informatie, behalve dan - en dat is wel essentieel 
- een vermelding van de onderlinge afstanden van gloeidraad, rooster, en 
plaat (1 mm tussen gloeidraad en rooster en 3  4 mm tussen rooster en plaat).

Het is mogelijk dat het tijdschrift L'Illustration destijds deel uitmaakte 
van een leesportefeuille die in Eindhoven en omstreken circuleerde, en dat 
het tijdschrift zo bij Kerssemakers terecht is gekomen. F.B.A. Prinsen 
heeft blijkens een brief waarvan een afschrift is bewaard in het archief 
van het Postmuseum op 13 juli 1966 navraag gedaan bij uitgeverij Meulenhoff 
in Amsterdam in een poging te achterhalen na hoeveel weken het bericht in 
L'Illustration in handen van Kerssemakers terecht kan zijn gekomen.

Of Prinsen destijds een bevredigend antwoord op deze vraag heeft gekregen 
is mij niet bekend, maar het feit dat Prinsen deze moeite heeft genomen 
bewijst dat hij zeer genteresseerd was in de vraag wie nu eigenlijk de 
eerste radiolamp in Nederland had vervaardigd. Bekend is dat Prinsen in 
zijn latere leven claimde dat hij zelf, als jeugdig laborant van 22 in 
dienst van de 'Holland' metaaldraadlampenfabriek in Utrecht, tussen 15 en 
23 november 1917 de eerste Nederlandse radiolamp voor de militaire 
autoriteiten zou hebben vervaardigd (bron: F.B.J. Prinsen, 'Wat een 
uitvindingen', Uitgeverij Sari B.V., z.j., ISBN 90 6198 1182, p. 24-29, zie 
ook het artikel 'Uitvinder Prinsen - de man van de hoogvacumelektrodenbuis 
- wordt zeventig jaar', in de Haagse Courant van 23 september 1965 en het 
artikel 'Enige beroepsuitvinder in Nederland' in de Volkskrant van 25 
september 1965).

Mogelijk heeft Prinsen dus, toen hij zijn eigen prioriteitsclaim bedreigd 
zag door die van Scheerman (en Kerssemakers), een poging willen doen om aan 
te tonen dat de proefexemplaren van Scheerman in het Natlab van Philips 
later dan november 1917 vervaardigd moesten zijn, wat denkbaar was als het 
nummer van L'Illustration van 8 september 1917 Kerssemakers pas na een 
aantal weken resp. maanden via een leesportefeuille zou hebben bereikt.

In het boekje 'Wat een uitvindingen' (overigens een dilettantisch werkje 
dat wemelt van de taal- en spelfouten en dat bol staat van de 
zelfverheerlijking) verhaalt Prinsen ook nog dat hij als laborant bij de 
'Holland' lampenfabriek een speciale manier van ontgassen van materialen en 
een methode voor het luchtdicht insmelten van de invoerdraden ontwikkelde 
om het voor de radiolampen benodigde hoogvacum te verkrijgen. Op deze 
vinding zou hij - blijkens zijn eigen aantekeningen bewaard in het 
Postmuseum - Nederlands octrooi hebben aangevraagd op 9 feb. 1918, welk 
octrooi ook zou zijn verleend onder nummer 5176. Prinsen dacht naar eigen 
zeggen voor zijn procd f 10.000,= premie te kunnen vangen bij zijn baas, 
maar het werd een premie van f 35,= plus f 5,= opslag per maand. Prinsen is 
toen weggegaan bij de 'Holland' fabriek.

Dit relaas van Prinsen wordt tot op zekere hoogte bevestigd door een brief 
van Prinsen zelf aan de directie van de Philips Gloeilampenfabrieken 
gedateerd 22 augustus 1918 (afschrift in Postmuseum), waarin hij het 
volgende meldt:

'Myne Heeren, Onlangs maakte ik kennis met een door U in den handel 
gebrachte electronen-relais, en het kwam my voor by nauwkeurig onderzoek 
dat het apparaat niet voldoet aan alle eischen, zoowel wat constructie als 
fabricagewyze betreft, die men er aan stellen kan. Hierin vind ik 
aanleiding Uwe aandacht er op te vestigen [dat] ik in staat ben U een 
werkwyze aan de hand te doen, volgens welke drie electronen-relais in 
cascade-schakeling, hetzelfde effect bereiken als 8 van Uwe 
electronen-relais. Mocht U zich voor [het] bovenstaande interesseren, en 
nadere byzonderheden wenschen, zoo ben ik gaarne bereid met U daarover in 
onderhandeling te treden'.

Deze brief is enigszins van belang omdat hieruit blijkt dat de Philips-IDZ 
lamp waaraan Prinsen refereert al in augustus 1918 in de handel 
verkrijgbaar was. Piet Bakker heeft in het verleden op onjuiste gronden 
twijfel geuit aan het gegeven dat de Philips-IDZ lamp al in augustus 1918 
leverbaar was (brochure 'Vroege radiotechniek in Nederland', uitgegeven 
t.g.v. de tentoonstelling 'van Radio tot Omroep', Stichting Nederlands 
Omroepmuseum 1994, blz. 15). Bakker heeft zich laten misleiden door het 
contract tussen Idzerda en Philips gedateerd op 1 mei 1919 in de collectie 
Swierstra in het Omroepmuseum. In dit contract is sprake van een afname 
door Idzerda van 1500 lampen per jaar. Bakker meende destijds uit de 
datering van het contract af te kunnen leiden dat de Philips-IDZ lampen pas 
in de zomer van 1919 leverbaar zouden zijn geworden, dit in weerwil van het 
feit dat Idzerda zelf in zijn advertentie van december 1918 in Radio Nieuws 
meldt dat er al 1200 Philips-IDZ lampen zijn afgeleverd (let wel: geleverd, 
niet slechts besteld). Bakker hield er ten onrechte geen rekening mee dat 
Idzerda al eerder, waarschijnlijk op 1 juli 1918, een contract met Philips 
had gesloten, waarin hij zich verplichtte tot de afname van minimaal 180 
lampen per jaar (bron: Tyne, Saga of the Vacuum Tube, blz. 270, 
aantekeningen Prinsen, Postmuseum). Overigens schijnt Philips (resp. 
Idzerda) niet op het aanbod van Prinsen te zijn ingegaan, want de 
constructie resp. het relatief lage vacuum van de Philips-IDZ lampen bleef 
in het jaar 1919 ongewijzigd. Prinsen noteert trouwens ook in zijn 
aantekeningen dat hij nooit een antwoord heeft ontvangen van Philips op 
zijn brief d.d. 22 augustus 1918.

- Prinsen heeft in de jaren '60 als freelance medewerker van het Postmuseum 
een grote hoeveelheid materiaal m.b.t. de (vroege) ontwikkeling van de 
radiolamp in Nederland bijeen gebracht, bestaande uit documenten en 
aantekeningen verkregen door onderzoek van de literatuur, correspondentie, 
en notities van gesprekken met toentertijd nog levende betrokkenen. Het was 
kennelijk zijn bedoeling een geschiedenis van de ontwikkeling van de 
radiolamp in Nederland te schrijven, waarbij hij niet in de laatste plaats 
zichzelf een glansrol had toebedacht. Tot een publicatie is het nooit 
gekomen, maar niettemin is de schat aan gegevens die hij bijeen heeft 
gebracht en die bewaard wordt in het Postmuseum uitermate nuttig gebleken.

Toch moet bij het gebruik van de gegevens van Prinsen de nodige 
voorzichtigheid in acht worden genomen, omdat sommige van zijn gegevens 
aantoonbaar onjuist zijn. Verder is de herkomst van zijn gegevens niet 
altijd duidelijk omdat hij nogal eens verzuimt om zijn bron te vermelden. 
Zo is het bijvoorbeeld niet na te gaan waar Prinsen het gegeven vandaan 
heeft dat Idzerda op 1 juli 1918 een contract tekende met Philips waarin 
hij zich verplichtte tot afname van tenminste 180 Philips-IDZ lampen per 
jaar. Toch is dit gegeven plausibel, want we weten namelijk dat Idzerda op 
of omstreeks 7 mei 1918 de eerste proefexemplaren van de IDZ geleverd kreeg 
van de Philips fabrieken (bron: Verslag van een onderzoek naar de 
patentsituatie in diverse landen betreffende audions, 3.3.1922; PCA, 
referentie bij I.J. Blanken, blz. 207 n. 5). In overeenstemming hiermee is 
het bericht in Radio Nieuws van juni 1918 waar we op blz. 149 lezen dat 
door de Philipsfabrieken aan de Technisch Wetenschappelijke Commissie [van 
de NVVR, HvdO] een drietal lampdetectoren Philips-Ideezet ter beproeving is 
aangeboden. In de eerste helft van de maand mei 1918 heeft Philips dus 
zowel aan Idzerda als aan de NVVR proefexemplaren van de Ideezet lamp ter 
beschiking gesteld. Verder weten we dat Idzerda pas op 13 juni 1918, drie 
maanden na de tentoonstelling, een eerste publieke demonstratie met de 
Philips-IDZ lamp kon geven (bron: Radio Nieuws Jrg. 1 nr. 7, juli 1918, 
blz. 171-172). In combinatie met het gegeven dat de Philips-IDZ in ieder 
geval in augustus 1918 in de handel was volgt hieruit dat inderdaad kort na 
13 juni 1918 een overeenkomst tussen Idzerda en Philips voor de 
seriefabricage en afname van de Philips-IDZ lampen tot stand kan zijn gekomen.

Een andere vraag is wanneer Idzerda voor het eerst contact met Philips 
heeft gezocht. Zeker is dat Idzerda zich eerder dan de maand mei 1918 tot 
Philips heeft gewend, omdat immers al rond 7 mei de eerste proefexemplaren 
van de Philips-IDZ lamp aan Idzerda werden geleverd. Tyne, Saga of the 
Vacuum Tube, blz. 270 stelt dat 'toward the end of 1917' de eerste 
proef-exemplaren aan Idzerda zouden zijn geleverd, terwijl de eerste 
productie-exemplaren 'early in 1918' zouden zijn geleverd. Deze gegevens 
kunnen niet juist zijn omdat we weten dat Idzerda op de tentoonstelling in 
maart 1918 nog geen lamp kon exposeren en omdat we uit het Philips archief 
en het tijdschrift Radio Nieuws weten dat de eerste proefexemplaren van de 
Philips-IDZ pas in de maand mei 1918 werden geleverd. Het is duidelijk dat 
zich Tyne zich hier op informatie uit de tweede hand heeft gebaseerd en dat 
hij zijn informatie bij gebrek aan kennis van de Nederlandse taal niet 
heeft kunnen verifiren.

Van Corver, (Radio Bulletin maart 1954, herdrukt in: 'Hoe het begin van de 
radio is geweest', Bussum 1956, blz. 20), weten we dat Idzerda lucht had 
gekregen van de militaire experimenten in het PTT laboratorium met de in de 
'Holland' fabriek in Utrecht vervaardigde lampen. Idzerda wendde zich 
daarom tot deze fabriek met het verzoek om ze ook voor hem te maken. Op 
Idzerda's verzoek kwam een heel voorkomend en vriendelijk antwoord, waaruit 
bleek dat de "Holland" fabriek bereid was voor Idzerda radiolampen te 
maken. Het enige wat Idzerda moest doen was precies opgeven welke 
afmetingen gloeidraad, rooster en plaat moesten hebben, hoeveel spiralen 
aan het rooster gegeven moesten worden, welke de onderlinge afstanden 
moesten zijn en welke materialen de fabriek ervoor moest gebruiken. Deze 
voorwaarde was natuurlijk bedoeld om de vervulling van de bereidverklaring 
te blokkeren en aldus een bestelling van Idzerda af te weren. Duidelijk 
was, dat de fabriek niet bereid was de voor militaire instanties 
vervaardigde lampen ook voor Idzerda te maken.

Deze lezing van Corver wordt volledig bevestigd door de hier bedoelde brief 
van de directie van de "Holland" fabriek aan Idzerda, welke brief bewaard 
is gebleven. Deze brief is gedateerd 13 december 1917 en bevindt zich thans 
in het Algemeen Rijks Archief. Uit de datering kunnen we concluderen dat 
Idzerda zich pas *na* medio december 1917 tot Philips kan hebben gewend, en 
daarmee is de chronologie van Tyne uiteraard weerlegd.

Er is nog een tweede document waar we uit op kunnen maken dat Idzerda in 
ieder geval niet vr aanvang van de Radiotentoonstelling in Den Haag op 17 
maart 1918 contact kan hebben gelegd met Philips met het verzoek 
radiolampen voor hem te produceren. In de aantekeningen van Prinsen in het 
Postmuseum bevinden zich ooggetuigeverslagen van bezoekers aan de 
tentoonstelling, opgetekend uit gesprekken die Prinsen in de jaren '60 met 
o.m. Middelraad en Ir. Reufel heeft gevoerd.

De teksten gaan uitvoerig in op de lotgevallen van een zekere Frans Henri 
Joseph Alard, geboren op 4 oktober 1885 te Maastricht. Deze Alard was na 
het Gymnasium in 1904 naar Mittweida in Duitsland (tussen Leipzig en 
Dresden) vertrokken om daar elektrotechniek te studeren aan het Technikum, 
de technische hogeschool die op dit gebied toen al een uitstekende 
reputatie genoot. Na zijn afstuderen in 1910 keerde hij terug naar 
Nederland en richtte in Boxtel een gloeilampenfabriek op met 3 oud-Philips 
medewerkers, gevestigd in de voormalige 'Van Sant' sigarenfabriek. Deze 
fabriek brandde echter anderhalf jaar later, in juni 1912, tot de grond toe 
af, terwijl de fabriek zwaar onderverzekerd was omdat Alard juist met zijn 
brandverzekering in onderhandeling was over een noodzakelijke verhoging van 
de polis van f 30.000,= naar f 150.000,=. Na eerst nog een jaar in hotel 
'Sanders' in Oosterwijk gewoond te hebben, vestigde Alard zich in Tilburg, 
waar met financile steun van zijn schoonmoeder P.B. Clercx - v.d. Wegen, 
die vele panden in Tilburg bezat, een nieuwe lampenfabriek 'Melior' werd 
opgericht, gevestigd aan het Piusplein 55. Alard aanvaardde zelf echter een 
functie in de directie van een andere gloeilampenfabriek 'Volt', eveneens 
in Tilburg, hoewel hij vaak experimenten uitvoerde op het laboratorium van 
de fabriek van zijn schoonmoeder. In Tilburg kreeg Alard belangstelling 
voor draadloze telegrafie. Hij leerde Morseschrift en richtte een grote 
antenne op, maar werd bij het uitbreken van de 1e wereldoorlog in augustus 
1914 gedwongen deze weer af te breken. Cornelia Clercx, de vrouw van Alard, 
beheerde aanvankelijk de lampenfabriek van haar moeder, maar op 30 augustus 
1917 kocht Alard uiteindelijk de fabriek annex woning voor f 14.000,=. 
Inmiddels was echter de export van lampen door de wereldoorlog flink 
teruggelopen, en Alard moest het pand dan ook al weer snel, op 18 april 
1918, met verlies voor f 12.000,= van de hand doen, waarbij Alard naar 
Nijmegen vertrok en zich vestigde aan de Wilhelminasingel 28. Alard had nu 
een betrekking aanvaard bij een zekere Heer Daaldrop in Tiel, en reisde 
aanvankelijk op en neer tussen Tiel en Nijmegen, om zich een jaar later, op 
21 maart 1919, in Tiel te vestigen. Het liep niet goed af met Frans Alard, 
want op 22 mei 1920, een warme dag, ging hij na gedane arbeid met zijn 
werkgever Jan Daaldrop een eindje zwemmen in de Maas. De beide mannen waren 
goede zwemmers en zwommen wel vaker stroomafwaarts om verderop weer aan wal 
te gaan. Op deze dag werd Alard echter door kramp overvallen, en verdronk 
voordat Daaldrop hem hulp had kunnen bieden.

Alard had na overname van de gloeilampenfabriek in Tilburg eerst nog 
geprobeerd deze nieuw leven in te blazen door de fabricage van chemische 
producten, maar deze omstelling mislukte. Tijdens zijn bezoek aan de 
radiotentoonstelling in maart 1918 zag Alard, die al eens een diode had 
vervaardigd, echter nieuwe perspectieven voor zijn zieltogende fabriek in 
de productie van radiolampen. Op de tentoonstelling raakte hij in gesprek 
met Idzerda, en in de tekst van Prinsen lezen we hiervan het volgende relaas:

'Maar wat hij op de tentoonstelling zag lag toch meer op zijn speciale 
terrein. 'Zal eens even met Idzerda praten'. De Heer Idzerda, eigenaar van 
de Ned. Radio Industrie in den Haag was direct heftig genteresseerd. Hij 
had zich reeds gergerd dat de firma Bal hem voor was. Aan de 'Holland' had 
hij gevraagd, of deze hem radiolampen kon leveren. Maar, dit was niet 
mogelijk, door de geheime overeenkomst met het ministerie van oorlog. 
"Denk[t] U werkelijk radio lampen voor mij te kunnen vervaardigen" vraagd 
[sic] Idzerda. "Ja zeker" antwoord[t] Alard. "Ik heb al eens een diode 
volgens een afbeelding van prof. Fleming vervaardigd. Hebt U wellicht 
afbeeldingen van triodes". "Ja ... in Radio Nieuws van Januari staat een 
tekening, eens even zien ... Kijk op blz. 10 een schets van luit. Tolk, nu 
die weet er alles van, want die werkt juist met de "Holland" samen op dit 
gebied en ik heb vernomen dat die prachtige resultaten heeft. Wanneer U 
zich nu nog als lid opgeeft kunt U waarschijnlijk dit 1e No. van Radio 
Nieuws nog ontvangen". "Dat zal ik doen" zegt Alard enthousiast. Met Radio 
Nieuws en nieuwe hoop keert hij 's avonds terug naar Tilburg. De volgende 
dag vervaardig[t] hij met de glasblazer een triode volgens bovengenoemde 
schets van Tolk. Het is feitelijk een schematische afbeelding van de 
Prinsen-Holland triode die wederom de Telefunken EVN94 als voorbeeld had. 
Alard bracht onmiddelijk deze triode bij Idzerda en nam tegelijk de diode 
mee. Idzerda probeerde de triode, doch al spoedig krulde het 
spiraal-rooster door de gloeidraad toen de gloeistroom werd opgevoerd. De 
anode en [het] rooster hadden te weinig steun, [een probleem] waarmee in de 
aanvang ook Telefunken te kampen had. "Dat gaat niet goed" zegt Idzerda. Ik 
heb hier een Moorhead lamp uit USA bemachtigd op de tentoonstelling doch 
moet deze eerdaags teruggeven. Wanneer U deze eens als voorbeeld neemt." 
Alard nam deze mee naar Tilburg en vervaardigde een dergelijk exemplaar met 
cylinder anode en spiraalvormig cylinder rooster. Hij zond deze in de 
komende dagen naar Idzerda.

De authenticiteit van dit relaas wordt in zoverre bevestigd dat Alard 
inderdaad op of kort na 17 maart 1918, en dus mogelijk op de 
tentoonstelling, lid is geworden van de NVVR (bron: Radio Nieuws d.d. 1 mei 
1918, blz. 120). Alle overige gegevens die zich laten verifiren zijn 
eveneens juist, zij het dat Alard en Idzerda in hun gesprekjes niet de 
woorden 'diode' en 'triode' kunnen hebben gebezigd, aangezien deze 
benamingen voor lampen met twee resp. drie elektroden pas in 1919 werden 
gentroduceerd door Eccles. Aangenomen dat het verhaal juist is hebben we 
hier een bewijs dat Idzerda bij aanvang van de tentoonstelling nog geen 
contact had gelegd met Philips, dat hij zich ook nog niet had vastgelegd op 
een bepaald ontwerp van een drie-elektroden-lamp, en dat de contacten met 
Alard verder kennelijk tot niets hebben geleid.

Interessant is dat de door Alard vervaardigde diode n de beide op verzoek 
van Idzerda vervaardigde trioden naar de schets van de Telefunken lamp en 
naar het voorbeeld van de door Idzerda aan Alard ter hand gestelde Moorhead 
lamp kennelijk in het Postmuseum aanwezig zijn. Blijkens de aantekeningen 
van Prinsen zou het gaan om de catalogusnummers 8245 t/m 8247.

We kunnen aldus concluderen dat Idzerda direct na afloop van (of wellicht 
nog tijdens) de tentoonstelling contact moet hebben gelegd met Philips. Een 
en ander wordt bevestigd door de advertentie van Idzerda in Radio Nieuws 
van 1 april 1918, waar de Philips-Ideezet-lamp alvast wordt aangekondigd 
met de mededeling dat deze 'binnen enkele dagen' verkrijgbaar zal zijn voor 
de prijs van f 12,50. Uit deze advertentie kunnen we opmaken dat Idzerda in 
ieder geval vr 1 april 1918 contact heeft gelegd met Philips en dat hij 
toen ook reeds bepaalde toezeggingen aangaande de productie moet hebben 
verkregen. Uit een en ander volgt dat het eerste contact van Idzerda met 
Philips met zekerheid is te dateren tussen 17 maart en 1 april 1918.

Over de wijze waarop Philips bij de productie van radiolampen betrokken 
raakte heeft Prinsen in zijn tekst ook een interessant verhaal dat hij - zo 
blijkt uit zijn notities - heeft opgetekend uit een gesprek op 9 oktober 
1962 met de toen 81-jarige Ir. Reufel, wonende aan de Prins van Wiedlaan 2 
te Wassenaar. Deze verhaalde over zijn bezoek aan de radiotentoonstelling, 
waar hij de militair Bakhuis ontmoette, die een kennis van hem was door een 
gemeenschappelijke hobby, de fotografie. Bakhuis nam Reufel mee naar het 
toneel waar een kist stond, die hij opende. In de kist bevonden zich 
radiolampen en nog andere onderdelen. Even later kwam er een jonge 
luitenant die de kist direct sloot toen hij de naam 'Philips' hoorde 
mompelen. Teruggekeerd in Eindhoven speelde zich volgens de tekst het 
volgende af:

'Ir. H. Reufel was met vele nieuwe ideen naar Eindhoven teruggekeerd. Hij 
vertelde aan Ir. Gerard Philips zijn ontdekking, maar de reactie viel 
geheel anders uit, dan hij verwacht[te]. "Ik heb iets zeer interessants 
gezien op de Radio tentoonstelling in den Haag." verteld [sic] Reufel. Het 
ligt mijn[s] inziens op ons gebied, nl. een gloeilampdetector voor 
radio-ontvangst. ". "Wij beginnen niet met speelgoed", antwoord[d]e Gerard 
Philips schamper. "Maar het wordt door het leger gebruikt". "Kan wel zijn, 
maar wij hebben het veel te druk met onze gloeilampen, en ook hierin [zijn] 
veel nieuwe ontwikkelingen, zooals gasvullingslampen, gespiraliseerde 
spiralen [sic] welke laatste reeds in Amerika in fabricage zijn, zoodat ons 
geen tijd blijft voor kleine neven producten op een geheel ander gebied dan 
de electrische belichting", was de duidelijke repliek van Gerard Philips.

Ir. Reuvel liet zich echter niet ontmoedigen en bleef van meening iets 
belangrijks gezien te hebben. Hij wilde ook de mening van Anthon Philips 
weten maar de portier vertelde hem dat deze eerst morgen weer aanwezig zou 
zijn. De volgende dag vertelde hij Anthon Philips over zijn ervaringen. 
"Gloeilampen te gebruiken bij de draadlooze telegrafie en telefonie, dat is 
interessant", zegt Anton Philips. "Ja, en het wordt door het leger met een 
zekere geheimzinnigheid omringt [sic]", verteld [sic] Reufel. "Toen men 
vernam dat ik bij Philips was, werd de kist met radiolampen gesloten". "Dan 
moet het zeer belangrijk zijn", antwoord[de] Anton Philips. "even Dr. Holst 
vragen.". Anton neemt de telefoon ... "Kunt U met Reufel naar den Haag er 
zijn radiolampen op de tentoonstelling te zien". "Neen, ik kan niet weg, 
maar Dr. Oosterhuis wellicht". Zoo reisde[n] Dr. Oosterhuis en Ir. Reufel 
naar den Haag maar de kist met haar geheimzinnige inhoud was verdwenen. Wel 
kon men de Bal lamp bewonderen en vorm en constructie goed in zich opnemen. 
Bij terugkomst gaf Anton order alle binnen en buitenlandsche literatuur te 
bestuderen en spoed te maken om een eventuele achterstand in te halen. De 
Heer Scheerman werd opgedragen eenige modellen te maken, temeer daar hij 
een verwoed radio Amateur was en reeds zeer lang een ontvangst station had. 
Na 18 dagen waren de eerste radio lampen gereed die veel overeenkomst 
hadden met de "Bal" lampen. Aan beide zijden was een Mignon Swan fitting 
aangebracht. In tegenstelling met de Bal lamp waar Mignon Edison fittingen 
waren aangebracht. Later had ook de Ideezet radio lamp Mignon 
edisonfittingen (zie adv. Radio Nieuws Aug. '18).'

Deze getuigenis van Ir. Reufel impliceert met zoveel woorden dat Philips 
pas naar aanleiding van de tentoonstelling van maart 1918 bij de productie 
van radiolampen betrokken raakte, en dat men in eerste instantie de lamp 
van Bal, zoals die op de tentoonstelling was te zien, heeft nagemaakt. 
Hieruit volgt weer dat er, althans officieel, tot dit tijdstip ook geen 
sprake kan zijn geweest van proefnemingen op het Natlab met drie-elektroden 
lampen. Een drietal van de door Scheerman in april 1918 bij Philips 
vervaardigde proefexemplaren met de nummers 18, 22, en 38 (kennelijk 
mislukt, want niet voorzien van fittingen) zijn blijkens de aantekeningen 
van Prinsen in het Postmuseum aanwezig. Hierbij zou het gaan om de 
catalogusnummers 8248 t/m 8250.

Een en ander is ook in overeenstemming met de mededeling van I.J. Blanken, 
(blz. 207 met n. 4) dat er in het Philips archief geen teken is van 
activiteit bij Philips op het gebied van radiolampen vr mei 1918. Er is 
aldus geen bewijs voor de de bewering van Ir. J.M. Verff in het NVVR 
Gedenkboek 1916-1926, blz. 326, dat men in het NatLab reeds in 1917 zou 
zijn begonnen met de bestudering van het fenomeen radiolamp. Blanken l.c. 
haalt een brief aan d.d. 14 mei 1918 van de fysicus H.A. Lorentz aan 
Oosterhuis, waarin hij belangstelling toont voor 'de mooie verbeteringen 
die gij in de gloeilamp-detectoren bereikt hebt'. De proefnemingen waaraan 
Lorenz refereert, kunnen dus inderdaad hebben plaatsgevonden in de maand 
april 1918.

Merkwaardig in het verhaal van Reufel is nog dat de eerste bij Philips naar 
het voorbeeld van de Bal lamp vervaardigde proefexemplaren een Swan 
mignonfitting (i.e. een bajonetfitting) zouden hebben gehad, terwijl de 
latere produktie exemplaren van de Philips-Ideezet een Edison mignonfitting 
(schroeffitting) hadden. Reufel zou naar eigen zeggen in het bezit zijn 
geweest van 3 van degelijke proefexemplaren met Swan mignonfitting, waarvan 
hij er ten tijde van het interview met Prinsen nog n in zijn bezit had. 
Deze laatste lamp zou Reufel hebben geschonken aan het Philipsmuseum dat 
toen net in oprichting was, echter met de bepaling dat deze lamp pas na 
zijn dood in het bezit zou komen van het Philipsmuseum. Het is aldus 
mogelijk dit deel van het relaas van Reufel nog te verifiren.

Addendum: in het blad Radio Elektronica van 25 mei 1977 staat in een 
artikel van Ing. P.A. de Boer getiteld 'Ontwikkeling van de elektronenbuis' 
op blz. 29 een foto van de door Reufel bedoelde detectorlamp met twee 
bajonetfittingen. De lamp op deze foto (blijkens een voetnoot in het 
artikel aanwezig in het Postmuseum) draagt op de glaskneep binnenin het 
serienummer 50. Deze lamp en het daarop aangebrachte lage serienummer 
bevestigen het verhaal van Reufel dat in eerste instantie bajonetfittingen 
zijn gebruikt. Ir. H. Reufel (met een 'f', niet met een 'v') woonde in 1918 
op het adres Villapark 93 te Eindhoven. Hij was werktuigkundig ingenieur en 
werd in de hoofdbestuursvergadering van 13 juni 1918 aangenomen als lid van 
de NVVR (bron: Radio Nieuws juli 1918, blz. 174).

- Tyne schijnt bij zijn bezoek aan Nederland eind jaren '60 of begin jaren 
'70 ter voorbereiding op het schrijven van zijn boek 'The Saga of the 
Vacuum Tube' - waarbij hij ook het Postmuseum heeft bezocht en naar we 
mogen aannemen met Prinsen heeft gesproken - de indruk te hebben gekregen 
dat Prinsen een belangrijke rol had gespeeld bij de vervaardiging van de 
eerste Nederlandse electronenbuizen. Het gevolg hiervan is geweest dat Tyne 
in zijn boek de rol van Prinsen wellicht heeft overschat. Overigens begaat 
Tyne in dit deel van zijn boek ook een aantal slordigheden. Zo zegt Tyne op 
blz. 268 dat de in vertaling weergegeven notities van Prinsen rechtstreeks 
afkomstig zouden zijn van de notities van Prinsen uit 1917 en dat de daarin 
gegeven data worden bevestigd in het rapport dat Lnt. Tolk voor zijn 
meerderen maakte.

Nu zijn mij geen notities van Prinsen *uit 1917* bekend, hoewel Prinsen in 
zijn in de jaren '60 op schrift gestelde aantekeningen wel verwijst naar 
een dagboek van hemzelf uit 1917. Het zou van belang zijn na te gaan of dit 
dagboek wellicht ook in de collectie van het Postmuseum aanwezig is, en om, 
indien aanwezig, de authenticiteit van dit geschrift, en daarmee van de 
claims van Prinsen, na te gaan door het te toetsen aan andere bronnen. In 
de weergave van de notities by Tyne lijken gegevens uit verschillende 
bronnen, namelijk de aantekeningen van Prinsen uit de jaren '60 en de 
aantekeningen uit het verslag van Tolk, met elkaar te zijn vermengd. 
Bovendien suggereert Tyne dat de eerste proefneming met de bij 'Holland' 
vervaardigde lampen op 23 november 1917 zou hebben plaatsgevonden in het 
laboratorium van de PTT te Den Haag. Dat is niet juist, want we weten dat 
men pas een week later, op 30 november, de beschikking had over 
faciliteiten om proeven te doen in Den Haag. (Addendum: jammer genoeg wordt 
de onjuiste bewering van Tyne nu weer herhaald in het boek van Frans 
Driesens, blz. 29).

- Het verhaal van PAoBL in VUKA Nieuws d.d. 15 juni 1936 komt op mij voor 
wat de datering betreft niet geloofwaardig over. Hier lezen we in het door 
jou gemarkeerde stuk (dat natuurlijk ook mijn aandacht trok):

'Ongeveer 1 jaar na het uitbreken van den oorlog kwam de eerste 
laagvacuumlamp uit Amerika naar Venlo, en zelf in het lampenvak werkzaam, 
werden spoedig eenige goedwerkende exemplaren nagemaakt. Uit een spoel met 
drie glijcontacten ontstond automatisch een ontvanger, volgens de later 
genoemde Hartley schakeling. Daar wij met 2 amateurs in dezelfde plaats 
luisterden, bleek al spoedig de geschiktheid van den schakeling voor 
zenddoeleinden en door de groote straling ontmoeten wij elkander al spoedig 
in den aether'.

Zo op het eerste gezicht hebben we hier de zoveelste claim van iemand die 
beweert als eerste in Nederland een werkende drie-elektroden-lamp te hebben 
vervaardigd, en wel een bijzonder vroege claim. Als we het verhaal mogen 
geloven had PAoBL al in het najaar van 1915 een werkende detectorlamp weten 
te vervaardigen en had hij en passant ook nog even zelfstandig een 
teruggekoppelde detector in een Hartley schakeling vervaardigd. Het hele 
verhaal lijkt wat te mooi om waar te zijn, zeker als we bedenken dat de 
later naar Hartley genoemde schakeling pas met de publicatie van het 
zogenaamde Augustusschema in de jaargang 1918 van Radio Nieuws in Nederland 
bekend werd.

Ook is te bedenken dat zelfs iemand als Corver, die toch zeer goed op de 
hoogte was met de buitenlandse literatuur, aan het einde van 1917, bij het 
schrijven van zijn artikelenreeks getiteld 'Gloeilampdetectoren en 
electronenrelais' in het Maandblad voor Telefonie en Telegrafie, nog niet 
echt de betekenis van de schakeling van het audion als teruggekoppelde 
detector bleek te hebben onderkend. In het derde en laatste deel van zijn 
artikelenreeks in december 1917 eindigt Corver zijn bespreking van de 
schakeling van C.S. Franklin namelijk met de woorden:

'De schakeling is dus wel zeer belangwekkend, maar lijkt voor directe 
toepassing in den ontvanger slechts van zeer betrekkelijke waarde'.

Niettemin merkt Corver aan het eind van zijn artikel ook nog op:

'Van groote betekenis zou het in dezen tijd zijn, wanneer de Nederlandsche 
industrie ook ons land de beschikking wist te verschaffen over dit nieuwe, 
onmisbare hulpmiddel. Bij een artikel, dat voor den aanmaak veel deskundige 
proefneming vereischt, terwijl het te plaatsen aantal nog zeer beperkt is, 
zijn daaraan groote moeilijkheden verbonden. (...) De radiotelegrafie in 
het leger, speciaal bij toepassing van radiotelegrafie op vliegtuigen, kan 
zonder deze relais onmogelijk praesteeren wat op dit oogenblik in het 
buitenland wordt bereikt. Wat wij op dit punt in ons land ten achter zijn, 
is geheel niet te schatten. Hoe wij het - zoo lang de oorlog duurt - moeten 
inhalen, helaas nog minder, wanneer niet de eigen industrie de zaak kan 
aanvatten.'

We mogen er van uitgaan dat Leonard Bal deze tekst in december 1917 
eveneens onder ogen heeft gekregen, omdat hij immers in juni 1917 zelf al 
een artikel in het Maandblad voor Telefonie en Telegrafie had geschreven. 
Ik heb me daarom wel eens afgevraagd of het niet deze oproep van Corver is 
geweest die Leonard Bal er (mede) toe gebracht kan hebben zich te wijden 
aan de ontwikkeling van een detectorlamp. In ieder geval was hij door zijn 
belangstelling voor alles wat met radio te maken had en als 
directeur-eigenaar van een electrotechnisch installatie bedrijf dat 
uiteraard contacten onderhield met gloeilampfabrikanten de aangewezen 
persoon om de oproep van Corver ter harte te nemen.

Om nu terug te keren tot PAoBL: Opmerkelijk aan het hele verhaal vind ik 
wel dat PAoBL, wonende te Venlo, van zichzelf zegt dat hij werkzaam was in 
het lampenvak. Bedoelt hij hiermee te zeggen dat hij werkzaam was bij Pope 
in Venlo? In dat geval ZOU er een verband met Bal kunnen bestaan, en het 
lijkt mij daarom zeker de moeite waard om bij de VERON na te vragen wie 
deze PAoBL was, en om dan na te gaan of er iets van zijn beweringen kan 
worden geverifierd.

Addendum: inmiddels heb ik uit de toegezonden fotokopie van een deel van de 
ledenlijst van de NVVR omstreeks 1936 begrepen dat het gaat om de Heer 
O.A.J. van Lin, destijds wonende aan de Herungerweg 120 te Venlo. Over deze 
persoon is mij op dit moment niets naders bekend.

- Ten aanzien van Leonard Bal moet ik hier nog het een en ander zeggen over 
het artikel getiteld 'Wij herdenken een Nederlandse Radiopionier' van de 
hand van J.M.F. van de Ven in 'Je Maintiendrai' van 21 maart 1947 dat in de 
loop der jaren steeds veel vragen heeft opgeroepen en ook aanleiding heeft 
gegeven tot misvattingen die tot op de dag van vandaag voortduren. Aan het 
tot stand komen van dit artikel is het een en ander vooraf gegaan dat mij 
pas kortgeleden duidelijk is geworden.

Niet lang na het overlijden van Leonard Bal op 3 februari 1946 schreef 
Leonard jr. een brief aan de Nederlandse redactie van het tijdschrift 
Readers Digest. Aanleiding voor het schrijven van de brief was een artikel 
in de Readers Digest van 3 jan. 1946 getiteld 'De lamp die de wereld 
veranderde', over Lee de Forest. De inhoud van de brief van Leonard jr. 
bestaat in hoofdzaak uit een lofzang op zijn vader, met aan het einde een 
verzoek aan de redactie om ook eens een plaatsje vrij te maken in het blad 
voor radiopionier Bal. Illustratief voor de toon van de brief is de 
volgende passage:

'De oudere radio menschen en dat zijn er niet zo heel veel zullen zich de 
naam BAL heel goed herinneren, de man die destijds in Breda de eerste 
radiolampen construeerde in Nederland en zooals thans wel vaststaat in 
Europa, de naam Bal is even onverbrekelijk verbonden met de radiolamp als 
die van Lee de Forest. Toen slechts enkele ingewijden ter wereld het 
bestaan vermoedden van een dergelijke lamp was Bal reeds lang bezig zijn 
eigen lampen te construeeren waarvoor hij naar zijn aanwijzingen het glas 
liet blazen bij Pope.

Niet alleen dat Bal de radiolamp vond en zelf construeerde hij is ook de 
uitvinder van verschillende andere radio verbeteringen o.a. de 
terugkoppeling. Bal mocht zijn uitvinding destijds demonstreeren te den 
Haag aan H.M. de Koningin en vele hooggeleerde belangstellenden en hij was 
ook de eerste leverancier van radiolampen van zijn vinding aan onze Regeering.

Het gaat met uitvindingen dikwijls als met zoovele andere dingen, ze worden 
vergeten en de mannen die er aan werkten en veel heel veel opofferden om 
met hun rusteloos zoeken om het groote moment te mogen beleven, het 
functioneeren van hun vinding, zijn meestal ook vergeten.

Over deze vinding welke in Nederland gedaan werd reeds voor of zeker 
tijdens Amerika iets dergelijks presteerde werd in het blad "Electra" van 
April 1939 door een andere radio pionier Dr. Polak het een en ander 
geschreven waarin hij Bal de vader van de radio noemt, een der eerste 
Nederlandsche radio pioniers en uitvinder van de eerste Nederlandsche 
radiolamp.'

Deze brief aan de Nederlandse redactie van The Readers Digest leidde niet 
tot een publicatie, en om deze reden heeft Leonard Bal jr. kennelijk 
contact gezocht met andere personen en instanties, wat er in resulteerde 
dat ruim een jaar na dato in het blad "Je Maintiendrai" alsnog een In 
Memoriam verscheen van de hand van J.M.F. van de Ven (in de jaren '50 nog 
bekend door zijn artikelen in Radio Bulletin).

We kunnen er van uitgaan dat J.M.F. van de Ven een afschrift van de brief 
aan Readers Digest onder ogen heeft gehad, omdat de tekst aan het slot van 
zijn artikel nagenoeg woordelijk overeenstemt met de op n na laatste 
alinea in de brief van Leo Bal jr. waar we lezen:

'De vergeten radio technicus L. Bal uit Breda is zijn roeping getrouw 
gebleven tot het einde, toen de wederopbouw van ons land een beroep op hem 
deed om als marconist de bediening van een regeeringszender op zich te 
nemen nam hij dat direct aan, hoewel een 64 jarige marconist wel tot de 
uitzonderingen zal behooren. Midden in zijn werk dat hem zoo na aan het 
hart lag en nadat hij nog eenige uuren tevoren les had gegeven is hij 
plotseling overleden op Zondag 3 Februari j.l.'

Inhoudelijk vertoont het artikel van J.M.F. van de Ven nog meer 
overeenkomsten met de brief aan Readers Digest. In beide teksten wordt 
Leonard Bal chronologisch op n lijn gesteld met Lee de Forest. Voorts 
refereert ook J.M.F. van de Ven aan Ir. Polak, van wie hij een vrij 
uitvoerig citaat aanhaalt:

'Maar toen ik die avond zijn huis binenkwam en achter de tochtdeur stond, 
hoorde ik daar reeds Parijs "keihard" door de gangen daveren. En in ons 
radioheiligdom stond een nieuw apparaatje, dat blijkbaar het wondergeluid 
produceerde. Het wonder bestond uit een houten plankje met een paar klemmen 
en een eigenaardig gevormd buisvormig lampje, de EERSTE Nederlandse 
radiolamp, gemaakt door Pope volgens de gegevens verstrekt door den 
radiotechnicus L. Bal te Breda. Heel wat avonden heb ik daarna bij Bal 
doorgebracht, in wiens radiokamer de geheimen der radiolamp zich aan ons 
begonnen te openbaren.'

Aangezien J.M.F. van de Ven voor het schrijven van zijn artikel de 
beschikking heeft gehad over de tekst van de brief van Leonard Bal Jr. aan 
Readers Digest is het welhaast zeker dat dit citaat afkomstig is uit het 
artikel van Max Polak in het blad "Electra" van april 1939. Ik heb dit blad 
tot op heden niet kunnen bemachtigen, maar het lijkt me zeker de moeite 
waard om dit te proberen, aangezien de herinneringen van Max Polak aan zijn 
experimenten samen met Bal wellicht nog nieuwe gezichtspunten op kunnen 
leveren.

Addendum: inmiddels is gebleken dat het citaat van Polak inderdaad 
afkomstig is uit het blad "Electra" van april 1939. Het artikel bevat nog 
een interessante passage over de wijze waarop Bal tot een schakeling met 
terugkoppeling kwam:

'Tot ik eens op een dag met spoed naar Breda werd ontboden, want Bal had 
iets geks ontdekt, wat in die dagen bij de radio meer gebeurde. Op zijn 
tafel stond zo'n toestel met reuze-aftakspoelen en als Bal zijn vinger op 
een der klemmen hield, hoorde je plots alle mogelijke fluitsignalen. Hij 
had eerst gedacht de verbinding, die hij met zijn hand maakte, door een 
draad te vervangen, maar dat kon niet, want dan werd er een batterij 
kortgesloten. In de draad werd een condensator geplaatst en het zaakje 
floot als een kanarie. Bal had de terugkoppeling uitgevonden. Hij was wel 
niet origineel geweest, maar dat kon hij op dat moment nog niet weten'.

Een en ander bevestigt het oordeel van Corver dat het schema Bal typische 
kenmerken droeg van ontstaan te zijn zuiver door proberen. Wat de datering 
van het voorval betreft, is op te merken dat Polak zegt dat hij naar Breda 
werd ontboden (niet naar Ginneken), wat er op duidt dat dit voorval zich in 
ieder geval na 1 december 1917 moet hebben afgespeeld.

Het citaat van Max Polak in "Je Maintiendrai" heeft altijd voor veel 
verwarring gezorgd, omdat in de alinea direct voorafgaande aan dit citaat 
door J.M.F. van de Ven wordt gesteld dat Bal - evenals Lee de Forest - 'ook 
reeds in 1910 met de ontwikkeling van het "andion" [audion, HvdO] begon, en 
dat hij in 1912 daarin definitief slaagde'. Bij lezing van het artikel van 
J.M.F. van de Ven ontstaat hierdoor de indruk dat de opgetekende 
herinnering van Max Polak betrekking zou hebben op het jaar 1912. Dit 
laatste kan echter niet juist zijn, omdat Bal vanaf 7 juli 1910 tot eind 
1917 op het adres Markt 15 te Ginneken woonde, en dit huis bezat voor zover 
bekend geen tochtdeur. Het huis aan de Nassausingel 5 te Breda, dat 
eigendom was van Bal vanaf 1 december 1917 (bron: notarile koopakte 
gedateerd 30 nov. 1917) bezat echter wel een (inmiddels verwijderde) 
tochtdeur. Mijn conclusie is dan ook dat de herinneringen van Polak 
betrekking moeten hebben op een tijdstip na 1 december 1917. Door deze 
getuigenis van Polak zelf is de claim als zou Bal vr dit tijdstip over 
een werkende drie-electroden-lamp hebben beschikt dus in feite weerlegd. 
Het verhaal als zou Bal nog vr de opheffing van het luisterverbod op 12 
september 1917 heimelijk toestellen met een lamp hebben geproduceerd en 
verkocht kan hiermee eveneens naar het rijk der fabelen worden verwezen.

De chronologie wordt ondersteund door de begin jaren '70 op schrift 
gestelde herinneringen van de echtgenote van Bal, waarin zij zegt dat haar 
man pas NA het behalen van het marconisten diploma aan de constructie van 
de lamp is begonnen. Het getuigschrift waarop is vermeld dat Bal met goed 
gevolg op 13 en 27 augustus 1917 te Rotterdam het examen radiotelegrafist 
2e klasse heeft afgelegd is uitgereikt op 25 september 1917 (origineel in 
dossier Bal in Omroepmusem).

Een nadere precisering van de periode waarop de herinnering van Polak 
betrekking moet hebben is mogelijk aan de hand van de mededeling van drs. 
J.M.H. Broeders, archivaris van het streekarchivariaat kring Oosterhout, 
dat de familie Bal waarschijnlijk op de 20ste december 1917 van het adres 
Markt 15 te Ginneken is verhuisd naar Breda (bron: brief van Broeders aan 
Dhr. Bal te Lelystad d.d. 10 oktober 1994). Als het juist is dat Leonard 
Bal pas omstreeks de 20ste december 1917 daadwerkelijk naar het adres 
Nassausingel 5 te Breda is verhuisd, dan kan de herinnering van Polak geen 
betrekking hebben op de maand december 1917, zodat we dan moeten 
concluderen dat Polak refereert aan gebeurtenissen die zich in eerste 
maanden van 1918 hebben afgespeeld.

Bij het artikel van J.M.F. van de Ven staat een foto van een door Bal 
vervaardigd toestel die eveneens aanleiding heeft gegeven tot verwarring. 
Volgens het bijschrift bij deze foto zou het gaan om 'Het eerste met een 
radio-lamp uitgeruste radio-toestel in ons land. De "Simplex", een 
schepping van Bal en rond 1915 door hem gexploiteerd.'

Het toesteltype 'Simplex' is echter pas omstreeks november 1918 door Bal in 
de handel gebracht (bron: advertentie Radio Nieuws Jrg. 1 nr. 11). De in 
dit toestel toegepaste schakeling was een variant op de schakeling van het 
zogenaamde Augustusschema zoals dat enkele maanden eerder in Radio Nieuws 
was gepubliceerd, en de schakeling van dit toestel week daarmee voor wat de 
wijze van terugkoppeling betreft (Hartley schakeling) af van eerder door 
Bal in de handel gebrachte toestellen die voorzien waren van een zgn. 
'loose coupler'.

Een vergelijking leert voorts dat de foto afgedrukt in het artikel van 
J.M.F. van de Ven identiek is met de foto van het toestel van het type 
'Simplex' op blz. 9 in de brochure van de firma Bal uit januari 1919 (men 
lette op de loop van het telefoonsnoer en de stand van de beide 
glijcontacten), zodat er geen twijfel is dat het in "Je Maintiendrai" 
afgebeelde toestel inderdaad de 'Simplex' is die omstreeks november 1918 
voor het eerst in de handel is gebracht, en dus niet een toestel uit 1915 
kan zijn.

Afgezien van de foutieve datering is de bewering in het bijschrift dat de 
'Simplex' het eerste met een radio-lamp uitgeruste toestel zou zijn geweest 
uiteraard ook onjuist, omdat Bal al eerder, vanaf mei 1918, in advertenties 
in het blad Radio Nieuws complete toestellen te koop aanbiedt.

In de advertenties van de firma Bal in Radio Nieuws van mei 1918 wordt voor 
het eerst niet alleen de Bal-lamp maar ook een compleet toestel aangeboden, 
met de mededeling dat dit toestel uit voorraad leverbaar is. In deze 
advertentie is sprake van een toestel van het type T.B.B., hetgeen 
kennelijk staat voor "Technisch Bureau Bal". Deze algemene benaming duidt 
erop dat dit inderdaad het eerste door de firma Bal in serie geproduceerde 
complete toestel moet zijn geweest, waaruit weer volgt dat het 
onwaarschijnlijk is dat nog (ver) voor dit tijdstip complete toestellen 
voorzien van een lampdetector door Bal in serie zouden zijn geproduceerd en 
verkocht. In ieder geval is hierna het aantal toesteltypen dat door de 
firma Bal werd aangeboden in korte tijd sterk uitgebreid, want drie maanden 
later waren er blijkens de prijscourant van augustus 1918 al 8 
verschillende typen.

Ten aanzien van het historisch overzichtje in het artikel van J.M.F. van de 
Ven is nog op te merken dat hij een foutief jaartal noemt voor Lee de 
Forest, die in 1910 de eerste drie-electroden-lamp zou hebben vervaardigd. 
In werkelijkheid heeft Lee de Forest al op 29 januari 1907 de vermaarde 
patentaanvraag voor zijn drie-electroden-lamp ingediend, welk patent op 18 
februari 1908 in de Verenigde Staten werd verleend onder nummer 879.532. De 
foutieve datering is door J.M.F. van de Ven kennelijk overgenomen uit het 
boekje "Het draadloos amateurstation" van Corver (e.g. uit de 8e druk, 
1929), waar we in verband met Lee de Forest de beide door J.M.F. van de Ven 
genoemde jaartallen 1910 en 1912 terugvinden, evenals alle andere namen en 
bijbehorende jaartallen uit zijn historisch overzichtje. De herkomst van de 
in verband met Bal genoemde jaartallen 1910 en 1912 is hiermee ook 
duidelijk geworden: J.M.F. van de Ven heeft kennelijk, vanuit de in de 
brief geformuleerde gedachte dat Bal tegelijkertijd met Lee de Forest aan 
zijn lamp zou hebben gewerkt, het door Corver genoemde tijdvak van 1910 tot 
1912 ook aan Bal toegeschreven. Het hoeft nu echter geen betoog meer dat 
deze datering o.m. door de getuigenis van Polak onhoudbaar is.

Merkwaardig is dat J.M.F. van de Ven in zijn artikel met geen woord rept 
over het optreden van Bal op de eerste Nederlandse radiotentoonstelling van 
maart 1918, terwijl hij daar, uit de brief van Leonard Bal jr. en uit het 
historisch overzichtje in het door hem geraadpleegde boekje van Corver, 
zeker mee op de hoogte moet zijn geweest. In plaats daarvan houdt J.M.F. 
van de Ven het bij de kryptische mededeling 'eerst vele jaren later (1917) 
zou de nieuwe vinding langs andere kanalen aan onze Nederlandse gemeenschap 
wereldkundig worden'. Waar J.M.F. van de Ven op doelt blijft onduidelijk. 
Het zou kunnen dat hij doelt op de publicaties van Corver, eind 1917, in 
het Maandblad voor Telefonie en Telegrafie, of misschien op het artikel in 
L'Illustration van 8 september 1917. De facto markeerde het optreden van 
Bal op de radiotentoonstelling de eerste concrete kennismaking van het 
Nederlandse publiek met het fenomeen radiolamp, en ik kan uit de omissie 
van Van de Ven dan ook alleen maar de conclusie trekken dat hij kennelijk 
niet bijster goed op de hoogte is geweest met de geschiedenis van Leonard Bal.

- Een centrale vraag is altijd geweest wat de herkomst was van Bal's 'know 
how' was en in hoeverre zijn ideen van anderen waren overgenomen of van 
hemzelf afkomstig waren. Van de Ven zinspeelde hier al op toen hij schreef: 
'Voor mij is het niet uit te maken, wat van de buitenlandse experimenten 
tot hem doordrong, of wat als een oorspronkelijk idee door hem werd 
opgevat. Een bepaalde uitvinding hangt immers steeds in de lucht en haar 
verwerkelijking geschiedt meestal gelijktijdig op vele plaatsen'. In 1994 
merkte Piet Bakker in zijn brochure 'Vroege radiotechniek in Nederland' nog 
op dat wij helaas in het duister tasten omtrent de herkomst van Bal's know 
how. Toch is hier wel het n en ander over te zeggen.

Bal ging gedurende 2 jaar, in het tijdvak van september 1915 t/m augustus 
1917, voor 1 dag in de week naar de Gemeentelijke Zeevaartschool in 
Rotterdam, om daar een opleiding tot radiotelegrafist te volgen. De school 
moet over de nodige boeken en tijdschriften hebben beschikt ten behoeve van 
het onderwijs, en aangezien Lee De Forest toen al installaties vervaardigde 
en verkocht voor gebruik aan boord van schepen, is het zeer wel denkbaar 
dat Bal hier kennis heeft kunnen nemen van publicaties van Lee de Forest. 
Het boeken- en tijdschriftenbezit van de toenmalige Gemeentelijke 
Zeevaartschool bevindt zich thans in de bibliotheek van het Maritiem Museum 
te Rotterdam, zodat nog zou kunnen worden nagegaan van welke geschriften 
Bal op de Zeevaartschool kennis heeft kunnen nemen.

Bal moet in Rotterdam L.F. Steehouwer hebben leren kennen, die toen docent 
radiotelegrafie was aan de Gemeentelijke Zeevaartschool, en Max J. Polak, 
toen student electrotechniek in Delft, maar woonachtig aan de 
Mathenesserlaan 364a te Rotterdam. Uit een berichtje in het Maandblad voor 
Telefonie en Telegrafie van januari 1917 (blz. 275) blijkt dat Polak en 
Steehouwer elkaar kenden en dat zij op dat moment werkten aan de oprichting 
van een afdeling Rotterdam van de NVVR.

Uit een en ander volgt dat Bal Polak hoogstwaarschijnlijk heeft leren 
kennen via Steehouwer. Bekend is ook (bron: Maandblad voor Telefonie en 
Telegrafie Jrg. 1916, blz. 168 en blz. 184) dat de NVVR over een eigen 
bibliotheek beschikte, gevestigd in de H.B.S aan het Stadhoudersplein te 
Den Haag, en dat het Technisch Bureau 'Wireless' van Idzerda, destijds nog 
gevestigd aan de Van Hovestraat 105 te Den Haag, leden van de NVVR in de 
gelegenheid stelde kennis te nemen van de aldaar aanwezige boeken en 
tijdschriften op radiogebied. Corver geeft aan dat hier o.m. tijdschriften 
als The Wireless Age, The Wireless World, en The Electrician konden worden 
geraadpleegd. Tot slot mag niet onvermeld blijven dat Polak als student 
uiteraard toegang had tot de bibliotheek van de TH Delft, die eveneens 
beschikte over abonnementen op alle toen gangbare tijdschriften op 
radiogebied. Uit de door Corver met enige regelmaat gegeven opsommingen van 
nieuwe aanwinsten voor de NVVR bibliotheek is ook op te maken dat de 
wereldoorlog niet verhinderde dat buitenlandse publicaties van de 
oorlogvoerende mogendheden Nederland bereikten. Overigens raakten de 
Verenigde Staten pas laat, in april 1917, bij de Eerste Wereldoorlog 
betrokken, terwijl Nederland steeds neutraal is gebleven, zodat er in ieder 
geval tot het voorjaar van 1917 geen belemmering was voor wat betreft het 
doordringen van Amerikaanse publicaties tot Nederland.

Er behoeft dus niet aan getwijfeld te worden dat Bal, al dan niet via 
Polak, in de gelegenheid is geweest kennis te nemen van relevante 
publicaties. Of hij dat ook gedaan heeft is natuurlijk een andere vraag. 
Corver heeft in ieder geval al vroeg geconcludeerd dat Bal geen studie van 
de literatuur had gemaakt, want in het voorwoord van de catalogus van een 
tentoonstelling gehouden t.g.v. van het eerste lustrum van de afdeling 
Rotterdam van de NVVR in november 1922 schrijft hij: 'Het "schema-Bal" 
droeg typ[i]sche kenmerken van ontstaan te zijn, zuiver door probeeren, 
door iemand, die de litteratuur *niet* kende'. Toch kende Bal in ieder 
geval het boekje "Het draadloos amateurstation" van Corver, omdat de 
historische overzichtjes achterin de brochures van Bal uit augustus 1918 en 
januari 1919 uit het boekje van Corver (1ste druk, 1915) zijn overgenomen. 
Verder verraadt de schematische voorstellingswijze van de lamp in de 
schakelschema's en op de achterzijde van de prijscourant van januari 1919 - 
en natuurlijk het elektrodensysteem van de lamp zelf - invloed van, resp. 
bekendheid met, het werk van Lee de Forest.

- Een open vraag is of Bal destijds iets aan de weet kan zijn gekomen van 
de geheime militaire proefnemingen die vanaf 30 november 1917 plaatsvonden 
in het laboratorium van de PTT aan de Kazernestraat te Den Haag. Ik acht 
dit denkbaar omdat L.F. Steehouwer en P.C. Tolk elkaar toen al jaren goed 
kenden (bron: 'Meneer Steehouwer, u laat zich met radio in ...', interview 
n.a.v. diens 80ste verjaardag, Algemeen Dagblad 10 februari 1965). Ook is 
bekend dat Polak vanaf begin 1917 tot zeker september 1918 reserve 2e 
luitenant was, gedetacheerd bij de militaire radiotelegrafie (bron: 
Maandblad voor Telefonie en Telegrafie januari 1917, blz. 275; Radio Nieuws 
september 1918, blz. 201). Er zijn dus twee mogelijke verbindingslijnen van 
Bal naar de militairen rondom Tolk, nl. zowel via Steehouwer als via Polak. 
Opmerkelijk is dat Tolk ten tijde van de proefnemingen evenals Polak 
reserve 2e Luitenant der Infanterie was, eveneens gedetacheerd was bij de 
militaire radiotelegrafie, en dat beiden elkaar toen al jaren goed kenden. 
Het kan dus bijna niet anders of Polak moet tenminste gedetailleerd op de 
hoogte zijn geweest met de proeven die o.l.v. Tolk werden uitgevoerd in Den 
Haag ...

In het boek 'Vijftig jaar VERON, Honderd jaar Radio, blz. 473, schrijft E. 
Kaleveld, PAoXE, dat Bal lucht had gekregen van de 'Holland' lamp en dat 
hij deze in zijn opdracht bij Pope in Venlo liet nabouwen, zij het dat de 
cylindrische plaat- en roosterelektroden werden vervangen door het 
Amerikaanse dubbelzijdige ontwerp van De Forest. Kennelijk baseert Kaleveld 
zich op niet meer dan de overweging dat het uiterlijk van de Bal lampen, de 
buisvorm met aan beide zijden Edison mignonfittingen, overeenstemt met het 
ontwerp van de "Holland" lamp, die, zo meent hij,  verantwoordelijk zou 
zijn voor de typische uitvoering van Nederlandse radiolampen in de eerste 
vijf jaren.

Leonard Bal jr. is vroeger in het bezit geweest van een tweede radiolamp 
uit de nalatenschap van zijn vader. Jammer genoeg is hij niet meer in het 
bezit van deze tweede lamp, aangezien hij deze jaren geleden aan iemand 
heeft geschonken, maar het is m.i. van belang te achterhalen wie deze lamp 
nu in zijn bezit heeft zodat deze lamp alsnog aan een onderzoek kan worden 
onderworpen. Bal jr. is er altijd van overtuigd geweest dat deze lamp - met 
helder glas - eveneens door zijn vader was vervaardigd, maar deze lamp 
(waarvan een duidelijke foto inclusief negatief beschikbaar is in het 
dossier Bal in het Omroepmuseum) was niet voorzien van enige aanduiding. 
Merkwaardig genoeg bezat deze lamp een cylindrische anode, terwijl alle 
lampen die door een eensluidend opschrift met zekerheid als Bal-lamp kunnen 
worden gedentificeerd van het double-wing De Forest type zijn. Ik denk dan 
ook dat de mogelijkheid niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat deze 
lamp een originele 'Holland' lamp was, aangezien deze inderdaad een 
cylindrische anode hadden (foto in Tyne, Saga of the Vacuum Tube, blz. 
270). Als Bal destijds in het bezit is geweest van een 'Holland' lamp, dan 
zou dit een aanwijzing kunnen zijn dat hij inderdaad op de hoogte was van 
of connecties had met personen die betrokken waren bij de militaire 
proefnemingen van eind 1917 en begin 1918.

Addendum: De afbeelding van de 'Holland' lamp in het boek van Tyne is 
overgenomen door Kaleveld l.c. en door Driesens, blz. 28 afb. 18, maar het 
is duidelijk dat de afgebeelde lamp, anders dan Driesens lijkt te 
suggereren, niet de in opdracht van de genie nagemaakte Telefunken EVN 94 
kan zijn. Blijkens een mededeling van Ing. P.A. de Boer in zijn artikel 
'Ontwikkeling van de elektronenbuis' in Radio Elektronica van 25 mei 1977 
zijn de eerste nagemaakte lampen in het bezit van het Postmuseum. Op de 
foto bij dit artikel is te zien dat het elektrodensysteem van de Duitse 
lampen (met schijfvormige anode en vlak spiraalrooster) in eerste instantie 
getrouw werd nagemaakt. Luitenant P.C. Tolk bevestigt dit ook in zijn 
verslag, waar hij schrijft:

'Bericht werd ontvangen dat op 23 november waarschijnlijk een exemplaar 
klaar kon zijn ter beproeving. De commandant der afd. Radiotelegrafie 
Luitenant ter Zee A. Dubois en ondergetekende gingen daarop naar Utrecht. 
De lamp bleek op het gezicht vrijwel getrouw gecopieerd, was echter zonder 
stopcontact of lampenvoet en had aan de bovenzijde een puntje van glas, 
overblijfsel van de zuigbuis bij het vacuumpompen.'

Op 29 november werden nog vier proefexemplaren (de nummers 2 t/m 5) 
vervaardigd. Iets later, op vrijdag 7 december 1917, werd volgens het 
verslag een nieuwe zending uit Utrecht ontvangen, bestaande uit de normale 
nummers 6 t/m 17, verder no. 18 met molybdeen-spiraal, terwijl no. 19 een 
'dubbele' lamp was met aan weerszijde 'een normale gitter en anodeplaatje'. 
De 'dubbele' lamp bleek bij parallelschakeling van de beide roosters resp. 
de beide anodes duidelijk betere resultaten te geven, en zo kwam men, aldus 
Tolk, 'vanzelf tot het idee, dat cylindrische roosters en anodes rondom een 
langgerekte gloeidraad een beter resultaat moesten geven'. Uit het rapport 
van Tolk is af te leiden dat nog vr de kerst werd besloten een aantal 
proefexemplaren met cylindrisch elektroden systeem te (laten) vervaardigen. 
Tussen kerst en oud-en-nieuw kon worden gexperimenteerd met een 
'lampenseintoestel afkomstig uit het Engelsch genterneerd luchtschip' 
waarbij Tolk met enige voldoening constateerde dat het elektroden systeem 
van de Engelse lampen eveneens cylindrisch bleek te zijn. Op 3 januari 1918 
noteert hij:

'Opmerking verdient als hiervoor al even verwezen, dat de [het] principieel 
vastgelegde nieuw Hollandsch type behalve in ware afmeting, vrijwel geheel 
overeenkwam met het hier pas later bekend geworden (door de internering van 
het luchtschip) constructie van de Engelsche geverlampen. Alleen was de 
Hollandsche in alle afmetingen iets kleiner en bedoelt [sic] als verbeterde 
ontvanger-lamp. Uitgepompte exemplaren zijn nog niet aanwezig.'

Het is denkbaar dat de begin 1918 ten behoeve van de marine geproduceerde 
lampen al voorzien waren van twee mignonfittingen, maar dit is niet uit het 
verslag van Tolk op te maken. Er wordt wel een beschrijving gegeven van 
enkele toestellen aanwezig bij de Kon. Marine, waarmee op 17 december 1917 
samen met Luitenant ter Zee v.d. Berg proeven konden worden gedaan. De 
Marine beschikte op dat moment o.m. over een toestel van Moorhead (met n 
lamp) en een De Forest toestel (met twee lampen). Bij de beschrijving van 
de lampen van De Forest (van het 'double wing' type) wordt opgemerkt dat 
deze aan de gloeidraadzijde waren voorzien van 'een gewone edison-fitting 
met schroefdraad'. Mogelijk is men hierdoor op het idee gekomen om de eigen 
(buisvormige) lampen eveneens te voorzien van mignonfittingen, maar dan aan 
beide uiteinden, en niet slechts aan de gloeidraadzijde zoals bij de lampen 
van De Forest.

Het staat echter allerminst vast dat de begin 1918 voor de Marine door 
'Holland' geproduceerde lampen al van twee schroeffittingen waren voorzien. 
De 'Holland' lamp op de foto in het boek van Tyne (gereproduceerd in het 
jubileumboek van de VERON en in het boek van Driesens als afb. 18 op blz. 
28) kan namelijk heel goed van veel later datum zijn, zoals Driesens in 
zijn tekst (blz. 29) trouwens aangeeft. In de jaren 1923 en 1924 werden 
dergelijke buisvormige lampen met twee mignonfittingen door de 'Holland' 
fabriek voor de open markt geproduceerd. Wat we wl weten is dat de 
Nederlandse Marine ten tijde van de tentoonstelling van maart 1918 
beschikte over lampen met een cylindervormige anode en een spiraalvormig 
rooster, die naar we kunnen aannemen bij de 'Holland' fabriek waren 
vervaardigd. Bij zijn bezoek aan de eerste Nederlandse radiotentoonstelling 
is P. Middelraad in de gelegenheid geweest deze lampen te zien. In Radio 
Nieuws van november 1918, blz. 257 schrijft hij daarover:

'Op de tentoonstelling verkreeg ik eenige inlichtingen omtrent het 
inwendige van zoo'n lamp. Bij die gelegenheid heb ik mijn oogen goed de 
kost gegeven en heb de versterkers welke in het Marine-station lagen, goed 
in mijn geheugen opgenomen. Mij scheen de gemakkelijkste om na te maken dat 
Amerikaansche systeem, een cilindertje met een spiraalveer er in. Omtrent 
het vacuum kon niemand mij inlichten.'

Overigens is Middelraad op de tentoonstelling eveneens in de gelegenheid 
geweest op een onbewaakt ogenblik een glimp op te vangen van het inwendige 
van de daar gedemonstreerde Bal lampen, door met een natte vinger het 
matglas wat doorzichtig te maken. Prinsen maakte daarover in zijn 
aantekeningen onder de titel 'Het geheim van Bal' een smeuig verhaal, 
opgetekend uit een interview met Middelraad in de jaren 60.

- Leo Bal jr. heeft een aantal fotografische glasplaten in zijn bezit, in 
een doos met daarop in het handschrift van zijn vader het jaartal 1917. Op 
de meeste platen staan van datering voorziene vakantiekiekjes die in de 
maanden juli en augustus 1917 zijn gemaakt in Katwijk aan Zee, maar in de 
doos bevonden zich ook een tweetal platen zonder datering waarop 
Bal-toestellen met een lampdetector te zien zijn. Niets bewijst echter dat 
deze laatste opnamen ook in het jaar 1917 ontstaan moeten zijn. Zelfs al 
zou door onderzoek van de emulsie onomstotelijk vast komen te staan dat de 
chemische samenstelling identiek is met die van de gedateerde platen, en 
zelfs al zou onomstotelijk komen vast te staan dat de fotografische platen 
in kwestie alle in 1917 zouden zijn gefabriceerd, dan nog bewijst dit 
niets, omdat de platen met opnamen van de toestellen later belicht kunnen 
zijn.

In het geval van n van beide platen is gemakkelijk vast te stellen dat de 
opname in de tweede helft van het jaar 1918 tot stand moet zijn gekomen. Op 
deze plaat zien we een Bal toestel van het type L.J.5., waarbij de 
identificatie van het toesteltype wordt bevestigd door een aan de voorzijde 
op de kopse kant van de houten grondplank aangebracht plaatje met het 
opschrift TYPE L. J. 5. Nu weten we uit de prijscourant van de firma Bal 
uit augustus 1918 dat op dat moment onder meer de toesteltypen B.S.2. t/m 
B.S.6. werden aangeboden, en dat in de prijscourant van januari 1919 de 
typeaanduiding van deze toestellen blijkt te zijn gewijzigd in L.J.2 t/m 
L.J.6. Niettemin blijkt uit een vergelijking van de technische 
specificaties van de toestellen in de beide prijscouranten, dat het moet 
gaan om dezelfde toestellen, en dat dus alleen de typeaanduiding is 
gewijzigd tussen augustus 1918 en januari 1919.

De achtergrond van deze wijziging van de typeaanduidingen is te vinden in 
het vertrek van mede-directeur S.P. Schleijer, die, zo blijkt uit een 
vergelijking van de voorzijden van de beide prijscouranten, in januari 1919 
van het toneel was verdwenen. De oude typeaanduiding B.S. bestond uit de 
initialen van de achternamen Bal en Schleijer, en met het vertrek van deze 
laatste zijn de betreffende typeaanduidingen van de toestellen B.S.1. t/m 
B.S.6. gewijzigd. De naam van het toesteltype B.S.1. werd gewijzigd in 
L.K.1., waarin men de initialen van de voornamen van de beide zoons van 
Leonard Bal, Leo en Krien, zou kunnen herkennen. Het is echter ook mogelijk 
dat de 'K' in deze typeaanduiding verwijst naar het feit dat dit 
toesteltype, als enige, werd geleverd in een transportabel kistje. De namen 
van de toesteltypen B.S.2. t/m B.S.6. werden gewijzigd in L.J.2. t/m 
L.J.6., waarbij we in L.J. de initialen van de voornamen van Bal, Leonard 
Jan, kunnen herkennen.

Uit de omstandigheid dat op de foto een toestel van het type L.J.5. is te 
zien, kunnen we dus concluderen dat deze foto na het vertrek van Schleijer 
en dus zeker niet eerder dan augustus 1918 moet zijn ontstaan. Een 
vergelijking met de foto van het toesteltype L.J.5. afgebeeld op blz. 14 
van de prijscourant van januari 1919 leert bovendien dat de foto op de 
glasplaat inderdaad de exacte foto is die is gebruikt voor de prijscourant 
(men lette weer op de loop van het gekrulde telefoonsnoer). Hieruit volgt 
dat de foto van het L.J.5. toestel op de glasplaat vr de verschijning van 
de prijscourant in januari 1919 moet zijn gemaakt. Aldus kunnen we 
concluderen dat de foto van het L.J.5. toestel moet zijn gemaakt na 
augustus 1918 en vr januari 1919.

Voor het ontbreken van een datering op de glasplaten met de foto's van de 
toestellen, terwijl de glasplaten van de vakantiefoto's wel zijn gedateerd, 
is een eenvoudige, weinig spectaculaire verklaring. De foto's van de 
toestellen, gefotografeerd tegen een neutrale witte achtergrond, zijn 
gemaakt met het doel deze te gebruiken in prijscouranten en folders, zoals 
de foto van het L.J.5. toestel bewijst. Het is dus alleszins begrijpelijk 
dat Bal hier geen datum in de emulsie heeft gekrast, omdat de foto's dan 
voor het beoogde doel onbruikbaar zouden zijn geworden. De vakantiefoto's 
daarentegen waren natuurlijk niet voor commercile doeleinden gemaakt, en 
dus was er geen beletsel om hier wel een datum in de emulsie op de 
glasplaat aan te brengen.

Op de andere glasplaat met een afbeelding van een Bal toestel valt direct 
op dat dit toestel voorzien is van een matglazen lamp, met op het glas in 
zwarte letters het woord "BAL". Op de foto is te zien dat de beide 
fittingen van de lamp eveneens van een opdruk zijn voorzien, maar de 
opschriften zijn op de foto niet te herkennen. Zoals eerder uiteengezet, is 
het aannemelijk dat de Bal lampen al betrekkelijk vroeg, niet later dan 
eind mei 1918, met helder glas werden geleverd, hetgeen impliceert dat de 
foto vermoedelijk ook vr eind mei 1918 moet zijn gemaakt. Het is namelijk 
niet aannemelijk dat voor handelsdoeleinden een foto zou zijn vervaardigd 
met een inmiddels verouderde uitvoering van de lampdetector wanneer er al 
een nieuwere uitvoering beschikbaar was. Het toestel op de foto bestaat, 
afgezien van de lampdetector, uit niet veel meer dan een spoel met n 
glijcontact, en daarbinnen een inductief gekoppelde spoel voorzien van 5 
aftakkingen op een glijstaaf, terwijl een variabele condensator ontbreekt. 
Een vergelijking met de afbeeldingen in de beide beschikbare prijscouranten 
leert dat het toestel op de foto een ontvangtoestel is van het type T.B.B. 
zoals dat is afgebeeld op blz. 31 van de prijscourant van augustus 1918 en 
blz. 7 van de prijscourant van januari 1919. De foto van het toesteltype 
T.B.B. in de beide prijscouranten is overigens niet identiek met de foto op 
de glasplaat. Bij het toestel op de glasplaat is, evenals trouwens bij het 
T.B.B. toestel in de prijscouranten, aan de voorzijde op de kopse kant van 
de grondplank een wit fabrikantenplaatje aangebracht met daarop een 
drieregelige tekst. Deze tekst is op mijn afdruk nauwelijks te lezen (op de 
oorspronkelijke glasplaat waarschijnlijk wel), maar er staat kennelijk 
Electro Techn. Bureau / BAL / BREDA. Hieruit volgt dat de foto zo goed als 
zeker niet in 1917 kan zijn gemaakt, omdat we weten dat Bal pas op of 
omstreeks 20 december 1917 naar Breda verhuisde. Verder weten we ook uit de 
advertenties in Radio Nieuws dat het toesteltype T.B.B. op 1 mei 1918 'uit 
voorraad leverbaar' was, terwijl het de maand tevoren in de advertentie van 
de firma Bal in Radio Nieuws nog niet werd aangeboden. Aldus is aannemelijk 
dat de serieproductie van het toesteltype T.B.B., het eerste door Bal in 
advertenties aangeboden complete toestel, in de maand april 1918 op gang is 
gekomen. Een en ander impliceert dat de foto op de glasplaat waarschijnlijk 
ook in april 1918 is gemaakt.

Wat de schakeling van het toesteltype T.B.B. betreft kunnen we uit de foto 
en de beschrijving in de prijscouranten niet al te veel afleiden. In ieder 
geval kan het schakelschema niet gelijk zijn geweest aan het in de 
prijscouranten gegeven schakelschema voor de BAL lampdetector, omdat in dat 
schakelschema immers gebruik wordt gemaakt van variabele condensatoren voor 
de afstemming alsmede voor de regeling van de terugkoppeling. Niettemin was 
het toesteltype T.B.B. ook voorzien van terugkoppeling, want in de 
advertenties in Radio Nieuws lezen we dat het toestel geschikt was voor de 
ontvangst van ongedempte golven. Dit laatste type seinen was alleen 
hoorbaar te maken door het ontvangtoestel tot genereren te brengen op een 
frequentie die enigszins afwijkt van de frequentie van het te ontvangen 
station. Door de interferentie van de ontvangen trillingen en de in de 
ontvanger opgewekte trillingen onstond dan een hoorbare verschiltoon, die 
met de koptelefoon als een fluittoon kon worden waargenomen.

- Over de door de firma Bal geproduceerde en in de handel gebrachte 
toestellen zijn we, behalve door de maandelijkse advertenties in Radio 
Nieuws, vooral genformeerd door de beide bewaard gebleven prijscouranten 
van augustus 1918 en januari 1919. In augustus 1918 omvatte het aanbod, 
behalve het type 'Alice' (vernoemd naar Bal's echtgenote Aleida) en het 
'oer' type T.B.B. ('Technisch Bureau Bal') nog de typen B.S.1. t/m B.S.6., 
waarmee het totaal aantal typen onvangtoestellen op 8 komt. Daarbij moet 
evenwel worden aangetekend dat het 'toestel' van het type B.S.2. uit niet 
veel meer dan een klein houten plankje van 22 x 10,5 cm met een 
mignonfitting en een aantal aansluitklemmen bestond, gelijk aan de plankjes 
zoals die in de opstelling in het tentoonstellingsnummer van Radio Nieuws 
d.d. 16 maart 1918 te zien zijn. Van alle toesteltypen is in de 
prijscouranten een beschrijving opgenomen. In januari 1919 was het aanbod 
niet veel veranderd, zij het dat om redenen die reeds zijn uiteengezet de 
typenummers B.S.1. t/m B.S.6. werden gewijzigd in L.K.1. en L.J.2. t/m 
L.J.6. Nieuw was het toesteltype 'Simplex', dat voor het eerst in de 
advertentie in Radio Nieuws van november 1918 werd aangeboden.

Over de na januari 1919 geproduceerde nieuwe toesteltypen zijn we wat 
minder goed op de hoogte bij gebrek aan (bewaard gebleven) brochures, zodat 
we het in hoofdaak moeten doen met de gegevens die we af kunnen leiden uit 
de advertenties in Radio Nieuws. Niettemin is duidelijk dat Bal in de 
eerste helft van 1919 een radicaal nieuwe koers is gaan varen, zoals we op 
kunnen maken uit een folder gedateerd 1 augustus 1919 over de "Avia" 
apparaten voor draadlooze telefonie (origineel in dossier Bal, 
Omroepmuseum). Hier lezen we:

'Wij brengen nog onder Uwe aandacht dat door ons ALLEEN "AVIA" apparaten 
worden vervaardigd, omdat de talrijke proeven en de schitterende resultaten 
hebben bewezen dat het maken van andere soorten toestellen vrijwel doelloos 
is.'

Hier geeft Bal dus met zoveel woorden aan dat de productie van de eerder 
vervaardigde toestellen uitsluitend voor ontvangst inmiddels was gestaakt. 
Dit wordt bevestigd door de eigenaardigheid dat de Avia toestellen reeds op 
1 juni 1919 de typeaanduidingen L.J.1. t/m L.J.6. hadden gekregen, wat 
natuurlijk alleen zinnig was als als er geen verwarring mogelijk was met de 
eerder geproduceerde ontvangtoestellen van de typen L.J.2. t/m L.J.6. In 
Radio Nieuws verschijnt de eerste advertentie van een Avia toestel in april 
1919, nadat overigens in de voorafgaande maanden van het jaar 1919, behalve 
de gebruikelijke advertentie omtrent de Bal lampdetector, in het geheel 
geen advertenties van Bal meer waren verschenen waarin complete toestellen 
werden aangeboden. Bal meldt in zijn advertentie van april 1919 ook nog: 
'Een groot aantal "AVIA" apparaten werd door Rijks- en andere instelllingen 
aangekocht en in bedrijf gesteld'. Een en ander wijst erop dat de ommezwaai 
reeds in het voorjaar van 1919 is ingezet, waarbij de spraakmakende 
demonstraties met draadloze telefonie van Idzerda op de Jaarbeurs in 
Utrecht in februari 1919 Bal mogelijk tot het inzicht hebben gebracht dat 
de toekomst voor zijn bedrijf eerder lag in de productie, en levering aan 
professionele gebruikers, van apparatuur voor draadloze communicatie.

- De omstelling van de productie van ontvangtoestellen naar apparatuur voor 
draadloze telefonie in het voorjaar van 1919 is een indicatie dat het met 
de verkoop van complete ontvangtoestellen niet zo wilde vlotten. Bij de 
bestudering van de beide prijscouranten zien we dan ook dat er in slechts 
een paar maanden tijd, namelijk tussen augustus 1918 en januari 1919, bij 
sommige produkten een aanzienlijk prijsverval is opgetreden. Zo daalde de 
prijs van het toesteltype T.B.B. in deze periode van f 180,= naar f 125,= 
terwijl de prijs van het type B.S.5., omgedoopt tot L.J.5., in dezelfde 
periode daalde van f 350,= naar f 225,=, prijsdalingen dus van zo'n 30 tot 
35 procent. Deze prijzen waren overigens exclusief telefoon, accu, en 
spanningsbatterij. Eenzelfde beeld zien we in de advertenties, waar de 
prijs van de Bal lampdetector, op de tentoonstelling van maart 1918 
gentroduceerd voor f 10,=, al in november 1918 wordt verlaagd naar f 8,50. 
Deze prijsverlaging is opmerkelijk gezien de beduidend hogere prijs, nl. f 
12,50, van de inmiddels leverbaar geworden Philips-Ideezet lamp, wat er op 
wijst dat de Bal lamp ondanks de van meet af aan lagere prijs niet goed kon 
concurreren met de Philips-Ideezet.

Bekijken we het verdere prijsverloop van de Bal lampdetectoren aan de hand 
van de advertenties, dan valt op dat, nadat in november 1919 de Bal 
lampdetector nog was aangeboden voor f 8,50, in december 1919 de prijs 
plotseling met 47% (!) blijkt te zijn gestegen naar f 12,50. Nieuw is wel, 
dat, behalve de al eerder uit advertenties bekende keuze tussen 2 of 4 volt 
gloeispanning, nu ook voor het eerst bij *ontvanglampen* onderscheid wordt 
gemaakt tussen hoog vacuum of laag vacuum. De nieuwe prijsstelling en de 
nieuwe keuze tussen hoog of laag vacuum wijzen erop dat Bal zijn 
detectorlampen nu - tegen een hogere inkoopsprijs - betrok van een andere 
producent dan Pope in Venlo, waar hij kennelijk tot dan toe zijn 
(ontvang)lampen had laten produceren. Een en ander kan samenhangen met de 
overname van Pope door Philips begin 1920, waarbij Pope stopte met de 
productie van alle soorten lampen, zodat afnemers gedwongen werden om te 
zien naar alternatieve leveranciers. Ik kom hier verderop nog even op terug.

Dat de verkoop van complete ontvangtoestellen in de periode mei 1918 tot 
medio 1919 kennelijk niet voorspoedig was verlopen is niet zo verrassend. 
Er moet zeker een markt zijn geweest voor ontvangtoestellen in deze 
periode, waarbij te denken valt aan bijv. overheidsinstellingen, 
persbureaux, redacties van kranten en tijdschriften, en horloge- en 
klokkenmakers (voor de ontvangst van precisietijdseinen). Toch zal deze 
markt vrij klein geweest zijn, ook al omdat de omgang met de toestellen 
toch minstens een behoorlijke vaardigheid in het op het gehoor opnemen van 
Morseseinen vooronderstelde. Amateurs zullen verder niet veel complete 
toestellen hebben gekocht, want radio amateurs maakten (en maken) nu 
eenmaal liever zelf hun toestellen, en de prijsstelling van de kant en 
klare toestellen was van dien aard dat deze toch wel enigszins buiten het 
bereik van veel amateurs zal hebben gelegen.

Al met al vind ik het, in retrospect, niet vreemd dat de firma Bal in 
financile moeilijkheden raakte. Dit laatste blijkt uit de omstandigheid 
dat Bal het huis aan de Nassausingel 5 te Breda, dat hij op 1 december 1917 
voor f 8000,= had gekocht nog geen twee jaar later, op 15 oktober 1919, 
weer verkocht voor f 12000,=. De verkoop had weliswaar winst opgeleverd, 
maar de merkwaardige omstandigheid deed zich voor dat Bal nog langer dan 
een jaar, tot december 1920, in het huis bleef wonen en vanuit dit adres 
ook zijn bedrijf voortzette, zoals blijkt uit advertenties en berichtjes in 
Radio Nieuws. Dat bij de verkoop in oktober 1919 zeker niet was 
overeengekomen dat Bal nog zo lang in het huis zou blijven wonen blijkt uit 
een kwitantie voor een bedrag van f 300,= dat Bal aan de koper van het 
huis, de Heer van Rey, heeft moeten betalen voor gederfd woongenot over de 
periode van 16 oktober 1919 tot 15 april 1920. Aangezien Bal ook na 
laatstgenoemde datum nog zo'n 8 maanden in het huis bleef wonen, mogen we 
er van uitgaan dat hij nogmaals een bedrag wegens gederfd woongenot zal 
moeten hebben betaald.

Of Bal in deze periode pogingen in het werk heeft gesteld om aan andere 
woon- en bedrijfsruimte in Breda of omgeving te komen weten we niet, maar 
wel is duidelijk dat hij aanvankelijk niet van zins kan zijn geweest om het 
bedrijf te beindigen, omdat hij ook na de datum van verkoop nieuwe 
bedrijfsactiviteiten bleef ontplooien. Zo weten we dat Bal op 13 november 
1919, precies 1 week na de eerste omroepuitzending van Idzerda, een 
aanvraag heeft ingediend voor een zendvergunning, een zogeheten 
fabrikantenmachtiging (bron: archief centrale directie PTT, Den Haag). In 
de zomer van 1920 blijkt het station van de firma Bal op zaterdagavond van 
8 tot 12 uur spraak en muziek uit te zenden, waarbij het gesprokene op 
verschillende plaatsen in Nederland goed kan worden verstaan (bron: Radio 
Nieuws Jrg. 3 nr. 7, juli 1920, blz. 207). Van 14 augustus tot 15 september 
1920 nam Bal nog deel aan de Internationale Electriciteits Tentoonstelling 
te Leeuwarden, waarvandaan hij dagelijks van 14:00 tot 18:00 en van 20:00 
tot 22:00 uur muziekuitzendingen verzorgde op een golflengte van ca. 1400 
meter (bron: Radio Nieuws september 1920, blz. 278). Wat Bal betreft, bleef 
het dus ook na de verkoop van het huis aan de Nassausingel vooralsnog 
'business as usual'. Een en ander wijst erop dat de verkoop van het huis 
door Bal in oktober 1919 niet vrijwillig kan zijn geschied, waaruit men wel 
kan concluderen dat zijn firma toen al in financile problemen moet hebben 
verkeerd.

Enkele maanden na de tentoonstelling in Leeuwarden, op maandag 29 november 
1920, trad Bal als vertegenwoordiger met standplaats Londen in dienst van 
de 'Ceramiek' handelmaatschappij, met vestigingen op het adres N.Z. 
Haringvliet 83 te Rotterdam en op het adres 45 Hatton Garden te Londen. 
Enkele weken later, omstreeks de jaarwisseling, verhuisde het gezin Bal 
naar Ealing (een voorstad van Londen), waarmee definitief een eind was 
gekomen aan het bestaan van het Electrotechnisch Bureau Bal aan de 
Nassausingel 5 te Breda.

De laatste advertentie van de firma Bal verscheen in het novembernummer 
1920 van Radio Nieuws. Op de valreep, begin december 1920, ontving Bal van 
de Centrale Directie van de P.T.T. het bericht dat hem de roepletters PCMM 
waren toegekend voor zijn station voor draadloze telefonie en telegrafie. 
Naar we mogen aannemen heeft Bal nooit gebruik gemaakt van de hem 
toegekende roepletters. Later werden deze roepletters dan ook toegekend aan 
P. Middelraad in IJmuiden.

-  In de schriftelijk weergave van het interview dat Prof. Halbertsma had 
met de Heer Scheerman op 21 februari 1961 zijn mij een aantal dingen 
opgevallen. Merkwaardig is dat Scheerman nogal vaag doet over de periode 
waarin het artikel over de drie-elektroden-lamp in L'Illustration was 
verschenen ('1916 of 1917') terwijl hij zich even verderop weer wel weet te 
herinneren dat het eerste proefexemplaar van zijn lamp nog in het najaar 
van 1917 gereedkwam. De sensationele bewering van Scheerman dat de in het 
Franse artikel beschreven radiolamp afkomstig zou zijn geweest uit 'een 
door de Duitsers boven Frankrijk neergeschoten Amerikaans vliegtuig' is 
volkomen uit de lucht gegrepen, en trouwens onmogelijk omdat de Verenigde 
Staten pas begin 1918 daadwerkelijk bij de strijd in Europa betrokken 
raakten. Niemand schijnt de moeite te hebben genomen Scheerman even op deze 
inconsistentie te wijzen, want een paar jaar later, in het Philips 
Technisch Tijdschrift van 28 september 1966, herhaalt hij dit, zij het dat 
hij het dan heeft over een *neergestort* Amerikaans legervliegtuig.

In het artikel in L'Illustration zegt de auteur, F. Honor, niet meer dan 
dat hij het ontwerp van de Franse lampen niet kan beschijven, maar dat hij 
zonder bezwaar het Amerikaanse ontwerp kan geven, aangezien dat type lamp 
overal [in de V.S.] vrijelijk te koop is:

'Cette lampe est d'origine amricaine. Elle a t plus ou moins 
perfectione dans les divers pays; le type franais, que nous ne saurions 
dcrire, parat suprieur aux autres. Nous pouvons, sans le moindre 
inconvnient, donner le schma gnral de l'appareil d'aprs un modle 
amricain, en vente partout'.

Als Scheerman over de constructie van zijn lamp komt te spreken, vertelt 
hij dat hij twee roosters en twee anodes aanbracht, met de bedoeling 
daarvan een tweemaal zo grote anodestroom  te verkrijgen als van n 
rooster en n anode, en hij vervolgt: 'Dit laatste was een uitvinding van 
mijzelf, want de Illustration vermeldde maar n rooster en n anode'. 
Piet Bakker, RHT 1998 nr. 4, blz. 101, heeft kennelijk deze bewering voor 
waar aangenomen. Toch claimt Scheerman hier iets wat niet klopt, want in 
het artikel in L'Illustration lezen we over de constructie van het 
elektrodensysteem het volgende:

'Au-dessus ou de chaque ct du filament,  un mil[l]imtre, un petit 
grillage mtallique reli  une source lectrique extrieure. A 3 ou 4 
millimtres au-dessus ou sur les cts de la grille, une ou deux plaques 
metalliques relies extrieurement  une pile envoyant du courant positif'.

Scheerman vertelt verder dat hij 'op een gegeven moment' de tijd rijp 
achtte om Holst en Oosterhuis op de hoogte te stellen. Onduidelijk blijft 
wanneer dit precies zou zijn gebeurd. Opmerkelijk in het relaas van 
Scheerman is dat volgens hem het initiatief voor de totstandkoming van de 
overeenkomst met Idzerda van Philips zou zijn uitgegaan, terwijl gewoonlijk 
juist omgekeerd wordt verondersteld dat het initiatief van Idzerda is 
uitgegaan. Zo schrijft Corver, die voor zover wij kunnen nagaan doorgaans 
juist is genformeerd, het volgende (bron: RB juni 1954, herdrukt in: J. 
Corver, Hoe het begin van de radio is geweest, Bussum 1956, blz. 23):

'Idzerda wist, na de Haagse tentoonstelling van Maart 1918, toen de 
Bal-lampen voor het publiek verkrijgbaar werden, nog zekerder dan te voren, 
dat zijn radiobedrijf eveneens "lampen" moest hebben, f ondergaan. En waar 
bij bot gevangen had bij de Gloeilampenfabriek te Utrecht, ging hij zich 
wenden tot Philips te Eindhoven.'

Opmerkelijk is natuurlijk ook dat Scheerman Bal betitelt als 'een kaper op 
de kust' die bij Kerssemakers thuis zou zijn geweest om de lamp te bekijken 
met de bedoeling die bij Pope in Venlo te laten maken. Zowel de 
omstandigheid dat Scheerman een verbasterde naam (Bol) noemt alsook de 
onjuiste bewering dat er nooit iets van productie bij Pope terecht zou zijn 
gekomen geven al aan dat het hier een verhaal uit de tweede hand betreft. 
Wat we hier ook van moeten denken, juist de omstandigheid dat Scheerman Bal 
als 'kaper op de kust' betitelt maakt de veronderstelling van Piet Bakker 
(RHT Jrg. 1998, nr. 4, blz. 100; Aether nr. 60, juni 2001, blz. 17) dat Bal 
samen met Kerssemakers op de tentoonstelling in Den Haag zou hebben gestaan 
des te onwaarschijnlijker. Als dit namelijk zo zou zijn geweest, dan zou 
Kerssemakers immers in de ogen van Scheerman een verrader of overloper 
moeten zijn geweest, die met Scheerman's lampje de 'kaper' Bal zou hebben 
geholpen goede sier te maken op de tentoonstelling. Uit het verdere relaas 
van Scheerman blijkt echter niets van een slechte verstandhouding tussen 
Scheerman en Kerssemakers, zodat de veronderstelling van Bakker des te 
onwaarschijnlijker wordt.

In het artikel van Piet Bakker in 'Aether' van juni 2001 staat een foto met 
een viertal buislampjes die in het bezit zijn van het Omroepmuseum. Het 
derde en vierde lampje (v.l.n.r.) op deze foto laten zich eenduidig 
identificeren als een Philips Ideezet (eensluidende tekst getst op 
glasbuis) resp. een bij Pope Venlo geproduceerde Bal-lamp (matglas; tekst 
BAL Breda / Afd. RADIO op fitting). Ten aanzien van het eerste en tweede 
lampje op de foto meent Piet Bakker dat het hier zou gaan om lampen uit een 
experimentele Philips produktie tussen ca. december 1917 en april 1918. Aan 
de omstandigheid dat bij het eerste lampje op rij 'PHILIPS' is getst op de 
glasbuis terwijl op n der beide fittingen de tekst BAL-RADIO / 
BREDA-HOLLAND is te lezen ontleent Bakker, in combinatie met zijn 
veronderstelling dat het hier om een vroeg proefexemplaar zou gaan, een 
argument voor zijn opvatting dat Bal nog vr zijn optreden op de 
tentoonstelling in maart 1918 connecties zou hebben gehad met Philips. Nog 
even afgezien van de omstandigheid dat er geen enkel bewijs is voor een 
(proef)productie van deze buisvormige drie-elektroden-lampen bij Philips 
vr april 1918, leert een nadere bestudering van de objecten op de foto 
dat de opvatting van Bakker onhoudbaar is.

Het eerste wat opvalt is dat de constructie en vorm van de eerste lamp (met 
'Philips' op het glas en 'Bal' op n der beide fittingen) exact 
overeenstemt de constructie van de derde lamp op de foto, de 
Philips-Ideezet. Men lette hierbij ook op het witte isolatiemateriaal 
tussen de schroeffitting en het centrale contact aan de bovenzijde op de 
foto. De tweede, enigszins kromme, lamp op de foto heeft daarentegen een 
ander fabrikaat schroeffitting met zwart isolatiemateriaal, wat er op duidt 
dat de tweede lamp niet uit dezelfde productiefaciliteit afkomstig is als 
de eerste en derde. De eerste lamp met 'Philips' op het glas en 'Bal' op 
n fitting draagt op de andere fitting de tekst LAAGVACUUM / MAX. 30 VOLT. 
Dit laatste nu levert een glasharde indicatie dat dit lampje onmogelijk 
vr 1919 kan zijn vervaardigd, zoals Bakker wil, omdat men voor die tijd 
in ieder geval bij detectorlampen nog niet het onderscheid maakte tussen 
hoog- en laagvacuum. Alle Nederlandse ontvanglampen voor amateurgebruik 
vervaardigd vr 1919 bezaten een (relatief) laag vacuum, en er was dus 
geen aanleiding, nog de mogelijkheid, dit op de lamp te vermelden, 
eenvoudig omdat het onderscheid vr deze tijd nog niet werd gemaakt en er 
derhalve ook geen kans op verwarring van overigens gelijk uitziende hoog- 
en laagvacuum ontvanglampen bestond.

Zoals we hierboven hebben gezien, kunnen we uit de advertenties van de 
firma Bal in Radio Nieuws opmaken dat hij in december 1919 moet zijn 
overgestapt op een andere leverancier voor zijn detectorlampen, en dat hij 
met deze overstap ook meteen kon beschikken over detectorlampen met hoog 
vacuum, naast het traditionele type met laagvacuum. Het spreekt vanzelf dat 
dit onderscheid vanaf dit tijdstip ook op de lampen zelf moest worden 
vermeld, omdat de laagvacuum en hoogvacuum lampen zich anderszins op het 
oog niet lieten onderscheiden. De lamp in het Omroepmuseum met op het glas 
'Philips', op de ene fitting het firmastempel van Bal, en op de andere 
fitting de aanduiding dat het een laagvacuum lamp betreft, maakt het, in 
combinatie met de gegevens uit de advertentie, waarschijnlijk dat Bal, toen 
de mogelijkheid om lampen bij Pope te produceren kwam te vervallen, is 
overgestapt naar Philips. Merk nog op dat de nieuwe prijsstelling voor de 
Bal-lampen in de advertentie van december 1919, namelijk f 12,50, 
overeenkomt met de prijsstelling van de door Idzerda aangeboden 
Philips-Ideezet lampen, die eveneens bij Philips werden geproduceerd. De 
conclusie uit een en ander is dat de eerste lamp op de foto weliswaar een 
lamp is die op bestelling van Bal bij Philips moet zijn vervaardigd, maar 
dat deze lamp onmogelijk vr eind 1919 kan zijn vervaardigd, en dus geen 
lamp kan zijn uit een vermeende experimentele produktie.

Addendum: in een bespreking van een nieuwe versie van het 'Avia' apparaat 
in het tijdschrift 'Radio' d.d. 15 januari 1920 lezen we het volgende:

'Ons rest alleen nog mede te deelen, dat de nieuwe Bal-lampen veel beter 
zijn dan de vorige. Door samenwerking met een der grootste lampenfabrieken 
in Nederland, is de nieuwe lamp het neusje van den zalm geworden.'

Hier wordt met zoveel woorden bevestigd dat Bal vanaf eind 1919 zijn lampen 
inderdaad van een andere fabrikant betrok, en mede gezien het bovenstaande 
alleen hier alleen maar Philips zijn bedoeld.

Over de tweede, enigzins kromme, lamp op de foto kan ik kort zijn. Op deze 
lamp staat op n fitting een serienummer, nl. 6469, terwijl op de andere 
fitting is te lezen 25-30V, waarmee impliciet wordt aangegeven dat het een 
laagvacuumlamp betreft, bedoeld voor een relatief lage plaatspanning. 
Alleen al de omstandigheid dat deze lamp is voorzien van een (hoog) 
serienummer sluit, zeker gezien de toenmalige produktieaantallen, de 
mogelijkheid uit dat het hier om een (vroeg) proefexemplaar zou gaan. Het 
zwarte isolatiemateriaal in de fiting geeft een indicatie dat de lamp, in 
tegenstelling tot de nummers 1 en 3 op de foto, mogelijk niet eens bij 
Philips is geproduceerd, maar bij een andere fabriek. Dergelijke 
buisvormige detectorlampjes zijn nog tot in het midden van de jaren twintig 
bij verschillende lampenfabrieken gemaakt om te voorzien in de vraag naar 
vervanging van defect geraakte exemplaren in bestaande ontvanginstallaties.

Als ik nu het interview van Prof. Halbertsma met Scheerman overzie, dan 
moet ik vaststellen dat de beweringen van Scheerman talrijke onjuistheden 
en onwaarschijnlijkheden bevatten, nl.

(a) Het neergeschoten (of neergestorte) vliegtuig dat in L'Illustration zou 
zijn genoemd maar niet wordt genoemd.

(b) Het opeisen van het dubbele elektroden systeem als een vinding van 
hemzelf, terwijl dit in L'Illustration wl wordt genoemd.

(c) De gebruikte anodespanning die 90-100 volt zou hebben bedragen, wat 
veel te hoog is om met een laagvacuumlamp een bruikbaar resultaat te 
verkrijgen. Merk hierbij op dat Scheerman niets zegt over bijzondere 
vacuumtechnieken en dat hij niets zegt over het blauw worden van de lamp 
door ionisatie van gasresten, welk effect bij deze anodespanning in een 
ontwerp volgens de gegevens van L'Illustration zeker zou zijn opgetreden.

(d) De bewering dat de seinen zo hard waren als zij nog nooit hadden 
gehoord, terwijl in een schakeling zonder terugkoppeling de werking van de 
lamp als detector nauwelijks beter kan zijn geweest dan die van een goede 
kristaldetector (vgl. het verslag van Tolk en Radio Nieuws juli 1918 blz. 
163).

(e) De bewering dat Philips erop uit zou zijn getrokken 'om te trachten 
deze lampen te verkopen', en daarbij uiteindelijk bij Idzerda terecht zou 
zijn gekomen, terwijl volgens de andere ons ter beschikking staande bronnen 
het initiatief van Idzerda zou zijn uitgegaan.

(f) De bewering dat er nooit iets terecht zou zijn gekomen van produktie 
van drie-elektroden-lampen bij Pope in Venlo, terwijl daar wel degelijk 
voor Bal lampen zijn geproduceerd.

Op grond van al deze manko's denk ik niet dat het verhaal van Scheerman erg 
betrouwbaar is. Bij vergelijking met het verhaal van Reufel valt verder nog 
op dat zij ieder een andere lezing hebben over de wijze waarop bij Holst en 
Oosterhuis van het Natlab belangstelling werd gewekt voor het verschijnsel 
radiolamp, en dat Scheerman en Reufel ieder zichzelf daarbij een sleutelrol 
toebedelen. Toch lijkt mij het verhaal van Reufel een stuk betrouwbaarder, 
omdat dat niet in strijd is met andere ons ter beschikking staande gegevens 
en omdat het niet mank gaat aan aantoonbare onjuistheden.

De meest waarschijnlijke verklaring voor het verhaal van Scheerman lijkt 
mij dat hij, al dan niet bewust, zijn herinneringen aan zijn vroege, 
onofficieel vervaardigde proeflampjes heeft vermengd met zijn herinneringen 
aan de latere officile proefproduktie, zoals die vanaf april 1918 bij 
Philips moet hebben plaatsgevonden. Het is denkbaar dat het in 1924 door 
Kerssemakers aan de NVVR geschonken en in Radio Nieuws beschreven lampje 
n van de heimelijk door Scheerman vervaardigde lampjes is geweest, maar 
dit lampje kan dan moeilijk naar het artikel in L'Illustration zijn 
vervaardigd, f het moest zo zijn dat men de hierboven geciteerde tekst 
over de opstelling van het elektrodensysteem verkeerd dan wel vrijelijk 
heeft genterpreteerd in die zin dat een opstelling van rooster en plaat 
ter weerszijden van de gloeidraad ook mogelijk zou zijn.

Goed, hoewel ik nog niet alles aan de orde heb gesteld wat ik eigenlijk aan 
de orde wilde stellen, moet ik het i.v.m. de tijd even hierbij laten. Ik 
zal je in een volgende e-mail nog het en en ander vertellen over de 
volgende, nog openstaande punten:

- Octrooiaanvrage Bal

- Testimonia Corver

- Chronologie Bal

- Gegevens Max Polak

- Conclusie t.a.v. Bal




Haye van den Oever 
 